Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: http://www.dwb.be

Tijdschriften 2009 3: Raster; Extra

Verschenen in: Aangespoeld
Auteur: Sven Vitse

Raster
nummer 125, maart 2009

Op donderdag 5 maart 2009 werden bij uitgeverij De Bezige Bij de laatste nummers voorgesteld van het literaire tijdschrift Raster: het dubbelnummer ???Het einde??? (123/124) en een slotnummer met enkele nabeschouwingen en een handig inhoudsoverzicht van alle nummers die sinds 1977 zijn verschenen. Hoe indrukwekkend dat register en de bijbehorende index ook zijn, volledig zijn ze strikt genomen niet. Vanaf 1967 verschenen immers zes jaargangen van wat ondertussen Raster I is gaan heten: een literair tijdschrift opgericht en gemaakt door de dichter en prozaschrijver H.C. ten Berge, en uitgegeven door Van Ditmar en (vanaf de tweede jaargang) door Johan Polak (Athenaeum). Wilde De Bezige Bij geen inhoudsopgave laten opstellen van de niet door haar uitgegeven jaargangen?
      
Ten Berge vertelt graag hoe hij, vlak voor hij een lange reis zou gaan maken, van Van Ditmar te horen kreeg dat Raster niet echt de commerci??le verwachtingen had ingelost en dus gedumpt werd. Polak bleek echter zonder aarzelen bereid het blad over te nemen. Een beslissing, ingegeven door een neus voor kwaliteit veeleer dan voor zaken, waarvoor lezers van verschillende generaties hem dankbaar zijn. Raster I bracht veel Nederlandstalige en buitenlandse po??zie (Faverey naast Breytenbach), maar ook proza van Dani??l Robberechts, Lidy van Marissing en Sybren Polet (lang voor er sprake was van ???ander proza???), essays over muziek en film, en een paar beroemd geworden stukken van J.F. Vogelaar over ???materialistiese??? literatuurtheorie.
      
Tussen 1972 en 1976 verschenen bij De Bezige Bij zes boeken in de zogeheten ???Raster reeks???. Ten minste drie daarvan zijn onmisbaar voor wie zich wil verdiepen in het experimentele proza uit de jaren 1960 en ???70. In Kunst als kritiek (1972) bundelt en introduceert J.F. Vogelaar literair-kritische opstellen uit de marxistische traditie (gaande van klassieke auteurs als Luk??cs en Benjamin tot de zeer actuele Macherey). Dani??l Robberechts??? verwerking van de Praagse lente in Praag schrijven (1975) is mijns inziens het hoogtepunt in zijn oeuvre. Het mes in het beeld (1976) ten slotte brengt experimentele teksten van Vogelaar, Van Marissing en Robberechts samen met een essay van Hugo Verdaasdonk over de montagetechniek die deze auteurs gebruiken.
      
In 1977 verscheen dan uiteindelijk het eerste nummer van het ???tijdschrift in boekvorm???, Raster II dus. In de redactie zaten behalve Ten Berge ook J.F. Vogelaar, Pieter de Meijer (hoogleraar Italiaanse letterkunde en kenner van de Italiaanse avant-garde) en J. Bernlef (in de jaren 1960 nog readymadedichter in het tijdschrift Barbarber). Vooral de eerste jaargangen bleken beeldbepalend voor het blad: experimentele prozateksten van Vogelaar, Polet en Van Marissing; Polets inleiding op de bloemlezing Ander proza; het gesprek over avant-garde; de fameuze aanval van Anthony Mertens op het ???subjectivistiese proza???; en enkele pittige theoretische artikelen met een linkse strekking ??? het was voldoende om Raster, in de woorden van Ton Anbeek, af te schilderen als een ???avant-gardistische guerrillagroep???. In de meest negatieve reacties was er ook wel eens sprake van onverstaanbaarheid en dogmatiek, maar vandaag is dat eigenlijk allemaal folklore geworden, of respectvoller uitgedrukt: geschiedenis. Wat blijft, dat zijn de nummers zelf.
      
Pieter de Meijer gaat in zijn bijdrage aan Raster 125 na welke plaats het tijdschrift in de literatuurgeschiedenis inneemt. Hij treedt in discussie met auteurs van literatuurgeschiedenissen (Anbeek, Brems, Ruiter & Smulders) en ergert zich aan allerhande vereenvoudigingen en verdraaiingen: men reduceert de po??tica van Raster tot de avant-gardistische po??tica van Vogelaar in de vroege jaren 1970; men negeert de diversiteit en de meningsverschillen binnen de redactie; men veronderstelt intenties die er nooit waren et cetera.
      
Uiteindelijk gaat deze discussie steeds over intenties. Wat zegt de publicatie van tekst X over ???het programma??? van Raster? Welke motivatie had de redactie om tekst Y te plaatsen? En was er overeenstemming binnen de redactie over de waarde van tekst Z? Het zou jammer zijn om het debat over Raster hiertoe te beperken. (Al vind ik het grappig dat Ten Berge het artikel van Macherey en Balibar over literatuuronderwijs, voor mij het hoogtepunt van Raster 7, ???een stroef leesbaar en dor betoog??? in een overigens ???geenszins gedrochtelijk??? nummer noemt. Wie deze tekst als exemplarisch voor het tijdschrift beschouwt, reduceert het wellicht tot de opvattingen van de vertalers Vogelaar en Mertens ??? het zij zo.)
      
Mij lijkt het erg vruchtbaar om aan de hand van Raster na te denken over de verhoudingen tussen avant-garde, modernisme en postmodernisme in de Nederlandse literatuur en daarbuiten, tussen marxisme en poststructuralisme, en tussen de avontuurlijke literatuur uit het buitenland en die uit het Nederlandse taalgebied. Hoe verhoudt het ???ander proza??? zich tot het postmodernisme? Wie zijn in de Nederlandse literatuur de geestesverwanten van Oulipo, Julio Cort??zar en het Amerikaanse postmoderne proza? Welke ontwikkelingen in de Nederlandse literatuur zijn aan Raster voorbijgegaan (en waarom)? Door haar openheid en nieuwsgierigheid heeft de redactie een intens gonzende schemerzone gecre??erd waarin spannende juxtaposities mogelijk zijn: de po??tica van Adorno verschijnt er bijvoorbeeld naast het poststructuralisme van Barthes en het marxisme van Macherey.
      
Ik koester mijn Rasters (en de nummers die ik in de toekomst nog hoop bijeen te sprokkelen) in de eerste plaats als een onuitputtelijke bron van tekstmateriaal, als een druk bezet knooppunt in een netwerk dat ik nog lang niet overzie maar dat als een onophoudelijk vertakkende horizon om me heen tolt. Briljante auteurs als Wolfgang Koeppen, Alexander Kluge, Arno Schmidt, Danilo Ki?? en Karl Kraus las ik voor het eerst in Raster. Zoals Kees Fens ter gelegenheid van vijfentwintig jaar Raster schreef (hernomen in Raster 125): er staat ???een complete bibliotheek, de origineelste uit de Nederlandse letteren???.
      
En hoewel er onmiskenbaar nummers verschenen zijn waaraan ik geen boodschap heb ??? meer in de latere jaargangen dan in de vroegere, al houd ik daarover geen statistieken bij ???, in het algemeen kan Raster volgens mij functioneren als een springplank naar een hoogplateau van teksten en idee??n. Xandra Schutte typeert het tijdschrift in haar bijdrage als ???een schaduwuniversiteit??? voor studenten ???begin jaren tachtig???, omdat het een hoger niveau had ???dan wat aan de ???echte??? universiteit te vinden was???. Schaduwuniversiteit of niet, Raster blijft een stimulans voor wie het schrijven en denken in de twintigste eeuw bestudeert ??? een prettig loensend oog voor de spoorzoeker die bij voorkeur het bos in wordt gestuurd.


Extra
nummer 2, winter 2008

Extra is het nog zeer prille, halfjaarlijkse tijdschrift van het FotoMuseum Provincie Antwerpen. Het magazine werkt met een halfslachtige vorm van tweetaligheid, waarvan de zin mij ontgaat: alle teksten zijn in het Engels afgedrukt (Extra wordt via tentoonstellingen immers ook in het buitenland aangeboden), maar van sommige teksten is ook een Nederlandse versie voorzien. Soit. Inhoudelijk lijkt het tijdschrift te twijfelen tussen twee formules: foto???s met summiere commentaar, of essays over fotografie. Een tijdschrift kan nooit wedijveren met een fotoboek of een tentoonstelling, het maakt vooral met essayistiek het verschil. Maar hoe genuanceerder het essay is, hoe meer foto???s het nodig heeft als illustratie.
      
In het dossier over ???Protest??? ??? foto???s van protestbewegingen en fotografie als vorm van protest ??? is het juiste evenwicht nog niet helemaal gevonden, hoewel het besproken materiaal zonder meer fascinerend is. Boris Snauwaert vergelijkt de foto???s die Josef Koudelka nam van de Russische invasie in Praag in 1968 met de portretten die Judith Joy Ross maakte van tegenstanders van de Amerikaanse invasie in Irak. Het verschil tussen de dynamische actiebeelden van Koudelka en de verstilde, contemplatieve poses van Ross dwingt tot reflectie over artistieke strategie??n, maar de vergelijking wordt onvoldoende uitgewerkt.
      
Voor het item rond de fotograaf Jens Ullrich geldt dit in nog sterkere mate. Ullrich vervangt op foto???s van demonstranten de slogans door abstracte figuren, zodat het protest van zijn expliciete inhoud wordt ontdaan. Deze artistieke keuze heeft belangrijke ideologische consequenties en kan worden beschouwd als een bespiegeling over de verhouding tussen kunst en politiek, maar de foto???s moeten het stellen met ????n kolommetje commentaar. Bij de beelden hoort dan weer wel een kort verhaal. Deze intermediale formule biedt vele mogelijkheden, maar de tekst van Jeroen Olyslaegers is nogal vlak en communiceert niet echt met de specifieke strategie van Ullrich.
      
Strikt genomen zou een fototijdschrift kunnen volstaan met louter primair materiaal (de foto???s), zoals sommige literaire tijdschriften louter primaire teksten plaatsen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de ???inleidende??? fotomontage, waarop negentien foto???s van de meest uiteenlopende protestacties te zien zijn. Ook de bevreemdende ???shelters??? van Lara Dhondt ??? conceptuele foto???s van hekkens, afrasteringen, afbakeningen ??? verschijnen nagenoeg onbegeleid. Maar in mijn ogen snakken deze intelligente en meerduidige foto???s naar vergelijking, analyse en interpretatie. Deze spanning blijkt ook enigszins uit het redactioneel: je voelt dat er een essay in zit, een gedegen beschouwing over de verschillende mogelijkheden van fotografisch protest en de fotografie van protest, over artistieke keuzes, maatschappelijke randvoorwaarden en politieke implicaties. Ik houd het te goed.