Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Conversaties met C.

Auteur: Paul Claes


       ‘La conversation est une invention de la littérature.’
       Charles Dantzig, Dictionnaire égoïste de la littérature française (2005)

Vlamingen zijn klunzen in de kunst van de conversatie. Zoals we altijd meer een volk van schilders waren dan van schrijvers, zijn we nog steeds meer een volk van zwijgers dan van sprekers. Onze politieke retoriek bestaat uit gegrom en geblaf. Platte praters als Herman Brusselmans en Tom Lanoye beheersen het literaire podium. De Vlaamse acteurs hebben het woordtheater afgeschaft omdat ze geen normale dialoog kunnen voeren.
       Cabaret heeft in onze contreien nooit een kans gekregen. Nog steeds verwarren onze stand-upcomedians lompheid met lolligheid. Beschaafdheid en welbespraaktheid gelden hier als Franse maniertjes. De zonderlingen die zich toch verzorgd willen uitdrukken, vervallen gemakkelijk in een aangeleerd taaltje zonder kraak noch smaak. Daarom ben ik blij dat ik in mijn leven toch één landgenote heb leren kennen met wie het een genot was van gedachten te wisselen.

Vlaams & Nederlands
Christine D’haen was geboren in Sint-Amandsberg, een voorgemeente van Gent. Al was haar vader schoolmeester, zijn gezin zal wel even gewestelijk gesproken hebben als de meeste Gentenaars nu. Zij zei me dat ze met haar drie zussen nog steeds dialect sprak, maar ik heb haar zelf zelden of nooit een Gentse uitdrukking horen gebruiken. Hoe was ze aan dat fraaie Nederlands gekomen?

       Haar jeugdig isolement (een vroegtijdige plaatsing in een nonnenpensionaat, vakanties in een Waalse omgeving, dagen van koorts in haar lagere schooltijd) bepaalde niet alleen haar dichterschap, maar tekende ook haar relatie tot de wereld. Een geremde communicatie is niet alleen humus voor literatuur, maar ook voor cultuur.
      
Christine volgde Grieks-Latijnse humaniora in het Sint-Bavo-Instituut in Gent. Zoals zoveel jonge meisjes had ze in die eliteschool een rolmodel. In haar geval was dat een Noord-Brabantse lerares, die haar verrukte door haar taal. Zoals ze haar schrift nabootste, imiteerde ze ook haar spraak. Er ging een wereld voor haar open: dingen en ervaringen kregen nieuwe namen en bestonden daardoor ook pas.
       Cultuur ontstaat bij de gratie van het verschil: het Nederlands van het Noorden is hetzelfde en toch anders dan het Nederlands van het Zuiden. Pedagogen die leerkrachten willen verplichten op school dialect te spreken om de communicatie te bevorderen, weten niet wat cultuuroverdracht is. Een kind zit op de schoolbanken om te leren: een nieuwe lente en een nieuw geluid te horen.
       In alle scholen van Vlaanderen wordt op zijn hoogst een ietwat gezuiverde gewesttaal gesproken en aangeleerd. Een flater als ‘Hoe noemt dat?’ wordt niet alleen door kleuteronderwijzeressen, maar ook door professoren dapper verspreid. Dit gewest bestaat eigenlijk alleen door de taalstrijd, maar is het enige ter wereld waarin televisieprogramma’s ondertiteld moeten worden omdat de gewone man geen buiten zijn dorp verstaanbare spraak kan hanteren.
       ‘In Vlaanderen Vlaams’ luidt nog steeds de leus van de Vlaams-nationalisten. Maar het Vlaams bestaat niet: de Gentenaar spot met de tongval van de West-Vlaming, een West-Vlaming begrijpt geen Limburger, een Antwerpenaar vindt zijn eigen taal de enig denkbare. De Waal en de vreemdeling die zich in dit provincialistische nest willen integreren, moeten zo gauw mogelijk de standaard vergeten die ze in hun inburgeringslessen hebben aangeleerd.
       Waarom vertel ik dit alles? Omdat Christine het onderwerp in onze conversaties vaak aansneed. Toen ze Germaanse filologie ging studeren aan de Gentse universiteit, schrok ze van het taaltje van haar medestudenten. De Antwerpenaren riepen hun commilitones toe op te schikken met de kreet: ‘Schoift en bietjen oep.’ Als het puik van het Vlaamse volk, het toekomstige lerarenkorps, zich zo uitdrukte, was het geen wonder dat het met de standaardtaal in Vlaanderen nooit wat was geworden. Na haar middelbaar onderwijs ging de germaniste met een studiebeurs eerst naar Edinburgh en vervolgens naar Amsterdam. Daar pas leerde ze echt Engels en Nederlands.
       Christine D’haen is een van die Vlamingen die hun taal van Nederlanders hebben geleerd. In die naoorlogse periode was internationalisme geen holle leuze. Alle grenzen werden opengeschoven: Bertus Aafjes reisde de wereld rond, de Vijftigers waren thuis in Parijs, Cobra verenigde schilders van Kopenhagen, Brussel en Amsterdam. Een Zuid-Nederlander die het dorpse Vlaanderen ontvluchtte, werd aan de Amsterdamse grachten zonder Hollandse hooghartigheid ontvangen. De experimenteel Hugo Claus publiceerde bij De Bezige Bij, zijn classicistische concurrente Christine D’haen bij Meulenhoff.
       Als beursstudente logeerde Christine D’haen bij Kira van Kasteel. Toen die in oktober 1950 na een bevalling stierf, greep die gebeurtenis de dichteres zo aan dat ze twaalf grafgedichten voor haar hospita schreef. Voor het eerst (en waarschijnlijk voor het laatst) dichtte een Vlaamse vrouw een tombeau voor een Hollandse vrouw. De hele cyclus is een postuum gesprek met de dode: ‘Om onzentwille werdt gij omgebracht’, ‘Wat wij verwachten hebt gij reeds volbracht’, ‘Gij werdt getroffen met één schot in ’t bosch’. Het gedicht is het enige wat overblijft van de toegesprokene: ‘Alleen mijn woorden, letterteekens, inkt, papier.’
       Toen de jonge dichteres terugkeerde naar Vlaanderen, vond ze een betrekking aan de Normaalschool in Brugge. In een Nederlandse televisiedocumentaire zien we haar met haar collega Paul de Wispelaere onvervalst Hollands praten. Dat was in die jaren van taalzuivering minder ongewoon dan nu. Ze ruilde het onderwijs in voor het Gezellearchief, maar bleef haar noordelijk angehauchte accent behouden in de provinciestad waar iedereen onbekommerd dialect spreekt. De Brugse handelaren, zo klaagde ze, rekenden haar vanwege die volksvreemde tongval steevast te veel aan. Door Nederlandse stadsgenoten, zoals de journalist Anthony Mertens en diens vrouw, bleef ze in contact met levend Nederlands.
       Toen ik haar in 1980 leerde kennen, werd ik onmiddellijk gecharmeerd door haar bijzonder zuivere en toch niet gezochte taal. We spraken elkaar als vanzelf met jij en jou aan. Ik benijdde het gemak waarmee ze altijd het juiste woord vond. Als ik mij een dialectuitdrukking of een foutieve uitspraak liet ontvallen, wees ze me streng terecht. Ik ben haar nog steeds dankbaar voor wat zij haar ‘schoolmatresmanieren’ noemde.


Lees meer in De wederkerigheid van woorden.