Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Sleutels I. 'De zefier waait, eens liefste' van Hans Faverey

Auteur: Paul Claes


       De zefier waait, eens liefste
       der winden ons; de zee schuimt

       boosaardig nu: verstikkend in algen.
       Zij, die er altijd al was: haar goden
       zich thans verstrikken in hun blinde
       doofstomme witz, sinds hun hinkende zelf

       lacht zich al maar uit. O Kupris,

       hoe heb je de Verhevene ooit verleid;
       naar welke muziek geurden je haren;
       en waarom liet je dit steeds zo
       onopgemerkt gebleven?

       Hans Faverey, Het ontbrokene (1990)

Hans Faverey schreef zijn allerlaatste bundel in een ademloze wedren tegen de tijd. De drukproeven kon hij zelf niet meer corrigeren. Het ontbrokene verscheen op 5 juli 1990, vier dagen voor zijn dood.

       Zelfs in het aanschijn van de eeuwigheid schuwde de raadseldichter de cryptische citaten niet. De aanvang van dit titelloze gedicht verwijst naar de aanhef van ‘Andenken’ (1803), een late hymne van Friedrich Hölderlin. ‘De zefier waait, eens liefste / der winden ons’ is een variatie op ‘Der Nordost wehet, / Der liebste unter den Winden’. In zijn versie vervangt Faverey de noordoostenwind door de westenwind, die hij de Griekse naam ‘zefier’ geeft. Zo huldigt hij zijn lievelingsdichter J.H. Leopold, die een mystiek kwatrijn begon met de woorden: ‘De zefier waait Uw adem toe’ (Uit de Rubaijat, xxi).
       De zefier is traditioneel de luwe lentebries, die de natuur laat bloeien en alle leven met liefde vervult. Zo kan Faverey hem met Hölderlin de ‘liefste’ noemen. De toevoeging ‘ons’ suggereert dat ‘wij’ (de mensen in het algemeen of de dichter en zijn geliefde) eens zo’n idyllische tijd hebben beleefd. De woorden ‘de zee schuimt’ zinspelen op de geboorte van Aphrodite. Volgens Hesiodos rees de Griekse liefdesgodin op uit het zeeschuim waaraan zij haar naam ontleende: ‘aphros’ betekent ‘schuim’. Daarna waaide de zefier haar naar het eiland Cyprus (een tafereel dat Sandro Botticelli afbeeldde op het schilderij De geboorte van Venus). Dat de dichter inderdaad op Aphrodite doelt, wordt bevestigd door vers 7, waarin hij de godin aanroept onder haar aloude bijnaam Kupris (‘de Cyprische’).
       De euforische herinnering wordt onderbroken door een omineuze witregel. Het ‘eens’ van de mythische tijd wijkt voor het ‘nu’ van de moderne tijd, waarin de zee opeens ‘boosaardig’ schuimt. De verstikkende algen suggereren milieuverontreiniging. Het schuim op de golven is geen natuurlijk schuim meer, maar een reactie op chemische producten (fosfaten en nitraten) die in zee zijn geloosd. Door wasmiddelen en kunstmeststoffen ontstaat de algenbloei, die het andere leven in het water bedreigt. Die woekerende verstikking doet onweerstaanbaar denken aan de kwaadaardige longziekte waaraan Faverey zou overlijden. Het liefdesthema wordt afgelost door het doodsthema.
       ‘Zij, die er altijd al was’ is een omschrijving van de zee, het aloude natuurelement. De eeuwige vrouwelijke Aphrodite is inderdaad behalve liefdesgodin ook zeegodin. Daarop volgt een raadselachtige zin met de voor Faverey zo typische inversies: ‘haar goden / zich thans verstrikken in hun blinde / doofstomme witz, sinds hun hinkende zelf // lacht zich al maar uit’.
       Het verhaal dat hier in weinige woorden wordt opgeroepen staat voluit te lezen in de achtste zang van Homeros’ Odyssee. Daar laat de blinde (!) hofzanger Demodokos het lied horen over de liefde van Aphrodite en Ares. De godin van de schoonheid was paradoxaal genoeg getrouwd met Hephaistos, de kreupele god van het vuur. Ze werd verliefd op de oorlogsgod Ares, maar de zonnegod die hen samen had zien slapen, verraadde dat aan haar man. Deze smeedde een metalen net, dat hij als een valstrik over het echtelijke bed hing. Bij hun volgende rendez-vous werd het overspelige paar gevangen. Hephaistos riep de Olympische goden bij elkaar om getuigen te zijn van dit beschamende schouwspel. De goden barstten uit in een onbedaarlijk geschater, dat traditioneel als ‘homerisch gelach’ wordt bestempeld.
       Deze mythische scène was al in de oudheid door moralisten veroordeeld en werd door christelijke geloofsverdedigers gebruikt om de zedeloosheid van het heidendom te illustreren. Faverey staat in deze kritische traditie door te spreken van een ‘blinde / doofstomme witz’: een stompzinnige grap van wie ogen, oren en mond sluit voor de sacrale liefde. Zijn versie keert de situatie dan ook totaal om. De goden raken hier verstrikt in hun eigen practical joke en de hinkende god Hephaistos kan als slachtoffer alleen om zichzelf lachen.
       De romantische modernist betreurt kennelijk de demythologisering die al bij Homeros begonnen is. Tegenover de onsterfelijke liefdesgodin hebben de Grieken al te menselijke goden geplaatst. Hun gebreken (blindheid, doofheid, stomheid, kreupelheid) degraderen de erotiek tot een obscene grap. In die ontluisterde wereld leeft de moderne mens. In de experimentele syntaxis van Faverey kan de zin ‘lacht zich al maar uit’ niet alleen afhangen van ‘hun hinkende zelf’, maar ook van ‘Zij, die er altijd al was’. ‘O Kupris’, zucht de dichter daarna. Is ook de eeuwige Aphrodite, de zee met haar ‘ontelbaar gelach’ van golven (Aischylos, Prometheus, 90) een lachwekkende karikatuur van zichzelf geworden?
       Tot de godin richt de dichter zich in drie slotvragen. Om te beginnen vraagt hij haar hoe zij de ‘Verhevene’ ooit heeft verleid. De kunst van de verleiding is bij uitstek de kwaliteit van een liefdesgodin. Wie is de ‘Verhevene’? De omschrijving past perfect bij Zeus, die als Olympische oppergod betiteld wordt als ‘hupatos’ of ‘hupsistos’ (hoogste, verhevenste). Deze vraag zinspeelt op een ander liefdesavontuur van Aphrodite. De godin was ooit verliefd op de mooie Adonis. Toen de jongeman bij de jacht door een everzwijn was gedood, smeekte zij Zeus hem aan haar terug te schenken. De Verhevene liet zich vermurwen: Adonis mocht een deel van het jaar bij Aphrodite op aarde verblijven en een ander deel bij Persephone in de onderwereld. Andermaal weerklinkt hier het thema van liefde en dood.
       De tweede vraag bevat een antwoord op de eerste: de godin heeft Zeus verleid door de muziek van haar geurende haren. Deze paradoxale metafoor combineert drie sensuele charmes waarmee de vrouw de zintuigen (gehoor, reukzin en gezicht) betovert. Muziek was voor de Grieken vaak een lokzang (denk maar aan het lied van de Sirenen). Geurige haren zijn een andere antieke topos: in Vergilius’ Aeneis (i, 403) geuren de haren van de Romeinse Aphrodite, Venus, naar ambrozijn. De zinnelijke bekoring van de godin staat in schril contrast met de ‘blinde / doofstomme witz’ van de goden.
       De derde vraag klinkt vreemd: ‘waarom liet je dit steeds zo / onopgemerkt gebleven?’ De duistere formulering is wellicht mede bepaald door de hachelijke situatie waarin de dichter zich bevindt. Het onbepaalde ‘dit’ duidt ontwijkend op iets wat hij wel en niet wil noemen: zijn slepende kwaal. De stervende verwijt de godin dat ze daar geen oog voor heeft en zijn leven niet redt, zoals ze dat toch ooit bij Adonis heeft gedaan.
       Het laatste vers is een verrassend citaat uit het slot van De avonden van G.K. van het Reve: ‘“Het is gezien,” mompelde hij, “het is niet onopgemerkt gebleven.”’ Opnieuw draait Faverey de zin van het model om. Terwijl Frits van Egters, de verteller in de roman, erop vertrouwt dat God alle kleinheid in zijn omgeving registreert, vraagt de dichter zich vertwijfeld af waarom zijn geliefde godin geen oog heeft voor zijn naderende einde.
       De schim van Faverey mag in vrede rusten: zijn verwijzingen zijn niet onopgemerkt gebleven.