Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

hij zal door alles heen groeien

Door de bergen kronkelend is de bedding van de verdwenen rivier
de pootafdruk van een reptiel dat niet heeft kunnen bestaan, nooit
zo log, niet in deze verzengende wind. Zalmroze kloof als een ader
door de rotsen, van eenzaamheid trillende vijgenboom. Vermoeidheid
is een cactus die traag ontzwelt tot een lederen man
met gespreide armen op de bergflank door de knieën gaat,
met de eerste regen weer overeind hoopt te komen. De rivier
heeft de bergen geslepen in de vorm van olifantenpoten, met, op hun
beurt, pootafdrukken van kleinere reptielen waarin opnieuw …
Rotsen veranderen in keien, keien in zand, zand in stof
dat wij inademen – moleculaire bouwstenen. Heiligdommen
als stempels in de rotswanden, over de kloof
hangt tenger een bruggetje, maar niet lang meer. Geen teken
van leven overdag of het moeten zwarte, plastic zakken zijn,
zeilend over de bergen. Bloedrode duinen.
We volgen de bedding van uitgedroogde rivieren in de hoop …
We likken de onderarmen om af te koelen, we zitten gehurkt
te hijgen, we schrapen met de vingernagels voorzichtig
het hete zandoppervlak weg, strekken ons
op de frisse ondergrond uit. Maar niet lang meer. Het heeft geen zin.
Je rent blootsvoets de bloedrode duinen op. Gezoem van een vlieg.
De ene woestijn is de andere, de andere woestijn is de ene
in spiegels, enkele meters boven de grond, pulserende spiegels
zonder geheugen, zonder vaste kern, enkele meters boven de grond
zoemend – misschien horen we een geheugen
dat we nu nog niet begrijpen, vormen de windingen van het reptielenbrein
de verborgen plattegrond van de woestijn
die voortdurend andere vormen aanneemt
opdat we altijd weer zouden zoeken.
We likken de onderarmen. We liggen te rillen. We liggen
enkele meters van elkaar in de schaduw van een rots
waar het te stil is om waar te zijn. Het is een lange weg naar huis.
Men smeert kinderen in met schorpioengif zodat ze immuun worden.
De hete wind komt in alle hevigheid op, blaast ons droog,
blaast ons bloot. De zon staat loodrecht op de dingen. De zandwolk
rolt tussen de bergen door als stemmen. Ik lik
mijn onderarmen. Ik zit op mijn hurken
mijn onderarmen nat te likken. Ik denk: het zijn geen spiegels,
iemand staat op en neer te springen tot hij van uitputting uiteenvalt
in glinsterende moleculen – kwikzilveren zweetdruppels.
Je komt overeind. Je begint op en neer te springen.
Ik zit gehurkt, met natte onderarmen, te kijken hoe iets je
ruggengraat vasthoudt en schudt. Hoe je voeten
telkens op dezelfde plaats neerkomen, opstuivend zand.
Het is een lange weg naar huis, maar dit zou ons huis kunnen zijn, dit
op en neer springen en dit kijken en bekeken worden. Dit
almaar dieper achteroverleunen, je armen neerhangend, je ogen
half dicht. De rotsen tot keien en de keien tot zand en het zand onder je
voeten tot stof dat we inademen – stof tot nadenken, stof tot as, deeltjes
ijlings op zoek naar antideeltjes om eindelijk … Hoe iets
– een vinger – tussen je ruggenwervels je als een bord
aan het tollen brengt, je halfgesloten ogen en mond, je weerloze
handpalmen in de lucht, om eindelijk te kunnen, eindelijk eindeloos te
kunnen, je gezucht dat geen zuchten is maar het trage ademen
van een wereld die zichzelf tracht te vergeten. Het stof
rond je benen. Van binnenuit verlicht, alsof je poreus bent. Gesluierd
met je gezicht. Dat je ten slotte, dat we eindelijk ten slotte …


Lees meer in hij zal door alles heen groeien.