Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Pinksterjeuk

Verschenen in: Lieve God

BRIEF OVER PINKSTEREN

TIJD:             nu
PLAATS:      aanwezig


Hey hoi Jahweh, God, Allah
            en al die andere namen waarvan jij je de afgelopen eeuwen hebt bediend.

Ooit was je een van ons. Toen we nog speelden, zongen, met bloemen gooiden en konden lachen. Toen we nog wel eens in India kwamen, met Dionysus, of in zee bij Piraeus zwommen met de paarden van Poseidon. De afgelopen tijd hebben wij met verbazing toegekeken hoe je je steeds meer ging bedienen van politieke en militaire macht en steeds minder van de enige echte taal, die van de literatuur. Je zou Plotinus eens moeten herlezen, maar we nemen inmiddels aan dat je zijn werk niet meer in de kast hebt of zelfs in je herinnering. Het gaat niet om performatief, formatief of per. Het gaat om liefde, geloof, hoop. En schateren. Van menselijk geluk. Ooit liet je opschrijven ‘in mensen een welbehagen’. Zo te zien ben je de weg goed kwijt. Je bent gaan denken dat je iets bent zonder een mens. Dat is een vergissing – een vergissing van dezelfde idiotie als dat een jonge vrouw een mannelijk kind zou kunnen krijgen zonder biologische vader. Of, dat de mate van respect voor het geloof waar jij de hoofdrol in speelt, evenredig zal zijn aan de angsten die men de ongelovige inpepert met bloed en vuur. Of, dat het uitschreeuwen van je autoriteitsproblematiek hetzelfde is als te zijn liefgehad.
      
We gaan je hierin maar weer eens uitgebreid de les lezen. Elke zoveel menstijden moet dat blijkbaar. Je bent hopeloos, maar we zijn dit aan onze waarden verplicht. En don’t shoot the messenger. Het heeft geen zin, want we zijn net zo onsterfelijk als jij. Deyé mon, gen mon. Achter de bergen, meer bergen. Na deze eeuw een andere eeuw en na deze mens een andere. Gezien je eigen uitingen weet je donders (sorry, Thor) goed, waar Abraham de mosterd heeft gehaald, anders zou je niet zo’n drie keer in de afgelopen dertig eeuwen dezelfde truc hebben uitgehaald met weer zo’n arme sterveling. Jezus. Bij wijze van spreken. Of Elia, of Mohammed.
      
Je hebt je eigen stemvee de stem ontnomen. Je hebt ze hun waardigheid ontnomen en het zichtbare en bereikbare geluk van de eigen verantwoordelijkheid. Eerst drong je de ervaring van het mysterie dat wij zijn terug tot je speciale bedienaren. Daarna begon je van hen allerlei niet-menselijks te eisen – celibaat, jihad, absolute gehoorzaamheid aan de hysterische uitschieters van je verkrampte taal en verwaarlozing van het lichaam – in ruil voor de belofte van een geur van heiligheid. Die walmt eeuwen na, zelfs in de zuiverste stormwind van Oya. Toen trok je je doorluchtigheid af van de laatste warme mystici, die jouw stem nog wanhopig in hun eigen bloed trachtten terug te vinden, en je verdween achter wolken – wolken die Freya geschapen heeft om de zon tegen te houden als het warm is en om uit te regenen als het droog is. Wolken zijn geen schuilplaats maar een broedplek. Zoals de aarde een broedplek is en de zee en zelfs het vuur.
      
Je weigerde hun allen je lichaam, zoals je hun eerder je stem weigerde; ze moesten het maar doen met wat anderen hadden opgeschreven van wat ze zich herinnerden dat weer anderen hadden verteld van toen jouw stem daadwerkelijk klonk. Of: ‘zou hebben geklonken’? Je hebt niet eens een lichaam! Dat zijn je gelovigen! Niemand van ons zou het in het hoofd van onze spreekbuis, de mens, doen opkomen om daaruit te verdwijnen, anders dan om er bij een volgende openstelling gewoon weer in terug te komen. Meanderen onder al die drukverschillen tussen ons voortduren en hun voorbijgaan is vermoeiend, maar we zijn nogal eeuwig, dus het is best te doen.
      
De mens is het voertuig van de god. Omdat de god anders nauwelijks kan voortbestaan en zich al helemaal niet kan manifesteren. God is er voor de mens en spreekt door de mens. Niet en nooit van z’n eeuwige dagen andersom. Jij kunt niets uitrichten zonder de sterfelijken. Wij kunnen niets maken of losmaken zonder de altijd sterfelijken. Wij bestaan bij de gratie van de mens en om hem en haar terzijde te staan. Voor zover zij spreken met de stem van de god, zijn wij het die hen bewegen. Maar zonder hun tong beweegt er niets, niet eens de wind van de geest.
      
‘Ik Ben De Eeuwige.’ ‘Ik Ben De Almachtige.’ ‘Ik Ben Die Ik Ben.’ Ja, de groeten. Ieder van ons is net zo eeuwig als jijzelf. Jouw boodschap, ten goede of kwaadschiks, is alleen voor stervelingen bestemd. Die eeuwigheid van jou is op zich van geen belang, maar je houdt er uitverkoop mee tegenover de tijdelijkheid van de stervelingen, zonder wie je niet eens je mond kunt opendoen, omdat je geen mond hebt! Je maakt ze graag wijs dat jij de Enige bent, de Transcendente en je hypnotiseert ze zo met die voltigerende bliksems van je, dat ze als de dood neervallen aan je voeten en er niet over nadenken hoezeer jij hen, de kortstondigen, nodig hebt om oorlogen te voeren, om brandstapels en bomgordels te maken, om heilige boeken te vervaardigen en zogenoemde ongelovigen je gebouwtjes uit te smijten.
      
Goedkope trucs. Een beetje elektriciteit, dat kan elk mysterie. Wij zijn de enigen die erdoorheen zien. Omdat wij dezelfde afkomst hebben als jij. Maar wij houden in ere dat wij niet alleen zijn. Dat wij niet alleen hoeven te zijn. Wij zijn ook steeds, tijdelijk, immanent. Wij kennen en herkennen het geluk van liefde, troost, gedichten, eten, drinken, samenzijn. Wij erkennen het eindeloze genot van het lichaam. Jij doet alsof je als enige transcendent bent en vanuit ons standpunt ben je inderdaad behoorlijk doorzichtig, we doorzien je helemaal. Ogenschijnlijk heb je de massa’s. In werkelijkheid heb je niets.
      
Lichaam heb je nodig. Daarzonder vervaag je. Je bent vergeten dat je gevoed moet worden. Dat je honger hebt, als god. En dat gebeden niet genoeg zijn. Daar krijg je alleen maar meer eeuwige honger van en je wordt steeds gewelddadiger.
      
Die veertig jaar in de woestijn, toen was je nog niet helemaal van g*d los. Je wou nog wel eens het vet en de schonken van een kalf verbrand zien. Een gouden kalf, dat wees je af. Pas later ben je gaan denken dat je rijkdommen moest laten verzamelen, tempels moest hebben en voorwerpen en goud. Je liet je vergiftigen door wat de mens denkt dat eeuwigheid is. Je had ze wijzer kunnen maken, maar je was zelf gedrogeerd door hun doodsangst. Enthousiasme had je moeten geven, έν-θεoς, in de god zijn. Voor die beweging moet jij in de mens zijn. Maar je hief jezelf op, zover totdat je in de hoogste hemelen niet meer aanwijsbaar was. Je liet de mens achter tussen de voorwerpen, waarmee hij je wanhopig trachtte gunstig te stemmen en te verleiden om terug te komen. Je eiste meer. Maar in voorwerpen kun je niet wonen en goud kun je niet eten, ook jij niet, g*dver3. Koning Midas vergeten?
      
Je spleet jezelf in twee onwerkbare grootheden, het langzaam verslijtende, zwijgend gemaakte en het oneindig kristallen primum mobile. Daartussen heerste windstilte. De eiken van Dodona verdorden. De laatste Pythia werpt zich krankzinnig schreeuwend op de grond in het ooggetuigenverslag van de Delphische priester Plutarchus. De Defectu Oraculorum. Je had ook officieel niets meer te zeggen aan de levenden. Je werd een god van het sterven. Niet van de doden. Dat zijn wij, wij zijn van de voorouders. Jij werd de splijtende, die uiteen scheurt in de gedachte veiligheid van bezitten en in de gedachte veiligheid van eeuwig transcendent. Allebei een leugen.


Lees meer in Lieve God.