Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Opspelende harten. Mythische helden/ heldinnen worstelend met hun hart

Verschenen in: Een spier van goud


Gevoelens zijn aandoeningen waardoor mensen een ommekeer doormaken en
 daardoor tot verschillende oordelen komen, en die gepaard gaan met pijn of genot.
 Voorbeelden zijn boosheid, medelijden, angst en al dergelijke, en hun tegendelen.
(Aristoteles, Retorica, 1378a20-23)


Drieënveertig verzen duurt het tot in de Europese literatuur voor het eerst het woord ‘hart’ valt: ‘Apollo daalde van de Olympus af, toornig was zijn hart’, staat in vers 44 van zang 1 van Homerus’ Ilias. Acht verzen later laaien de brandstapels van de lijken. Gedood door de vlijmscherpe pijlen uit de van zilver gesmede boog van de god met het toornige hart, ‘de feilloze schutter Apollo’.
Zonder felle emoties, goddelijke en menselijke, zijn er geen mythen. En felle emoties zijn er niet zonder hart. Zonder hart dus geen mythen. Mythen zijn niet harteloos. Hier volgt het willekeurige bewijs. Zoek geen volgorde in dit hartverscheurende, bloedstollende, hartstochtelijke, hartbrekende defileetje.

Achilles: het toornige hart
De Griekse held van wie al in het eerste vers van de Ilias de wrok moet worden bezongen. Het hart van Achilles bepaalt het verloop van het epos en het aantal oorlogsslachtoffers. Zoals vaker bij Homerus lijkt Achilles’ hart zelfstandig te functioneren, als een soort homunculus in een divided self, een confederatie van zelfstandige leden en organen:

       Hevig gegriefd door dit woord overwoog het hart van Achilles
       binnen zijn harige borst, niet wetend wat te besluiten:
       of het vlijmscherpe zwaard aan zijn zijde te trekken, de mannen
       daar te verjagen en Atreus’ zoon om het leven te brengen,
       of zijn drift te beheersen en weer tot kalmte te komen.


Achilles is de hele Ilias door boos. Aristoteles: ‘Laten we stellen dat boosheid een met pijn gepaard gaande drang is tot openlijke wraakneming wegens een blijk van geringschatting van de persoon zelf of van een van de zijnen. Als dit boosheid is, kan het niet anders of wie boos is, is altijd boos op een individu … Ieder geval van boosheid gaat noodzakelijk gepaard met een zeker genot dat voortkomt uit het vooruitzicht op wraak.’ En vervolgens citeert de filosoof om zijn stelling te staven een stukje uit het volgende fragment. Aan het woord is Achilles, na de dood van zijn vriend Patroclus:

       Ach, mocht het waar zijn dat onder de goden en onder de mensen
       twist zou verdwijnen en toorn, die ook een weldenkend iemand
       razend van woede kan maken, de toorn die zoeter dan honing
       neervloeit en die zich, als rook, verbreidt in de harten der mensen.
       Zo heeft mij razend gemaakt Agamemnon, hoofd van het krijgsvolk.
       Maar wat gebeurd is laten we rusten en brengen, hoe boos ook,
       nu door de noodzaak geprest, de toorn in ons hart tot bedaren.


Als de zieltogende Hector Achilles smeekt zijn lichaam aan de Trojanen terug te geven, heeft de Griek voor zijn hart een grimmige, gruwelijke wens:

        ‘Smeek me niet, hond, bij mijn knieën, noch bij mijn vader en moeder!
       Mocht mijn hart me vergunnen je vlees in stukken te snijden
       en het dan rauw te verslinden voor alles wat je me aandeed. […]
       Honden en vogels zullen je vreten en niets laten liggen.’
       Hem sprak, stervende, toe de van helmglans stralende Hektor:
        ‘Ja, nu zie ik pas goed wie je bent. Ik had kunnen weten
       dat je niet luistert naar rede. Je hart is nu eenmaal van ijzer.’


Tot Hectors oude vader Priamus, die in de oorlog zijn vijftig zonen verloor, in Achilles’ tent doordringt en de Griek door medelijden is bewogen, driehonderd verzen voor het einde van de Ilias. Eindelijk geen toorn, wrok en boosheid meer in het gelaten, gelouterde (?) hart:

       Ach, rampzalige man, – wel hebt u veel leed moeten dragen!
       Hoe hebt u ooit het bestaan u alleen naar het kamp te begeven
       en hier de man onder ogen te komen die veel van uw beste
       zoons om het leven gebracht heeft? Van ijzer moet wel uw hart zijn.
       Kom, zet u neer op een stoel. Hoe diep bedroefd en ontroostbaar
       doen we er niettemin goed aan, het leed in ons hart te begraven.
       ’t Helpt toch allemaal niets, dat ijzingwekkende klagen.
       Zo hebben eenmaal de goden, die zelf het lijden niet kennen,
       ons ongelukkige mensen gedoemd in ellende te leven.


Odysseus: het gehoorzame, grommende hart

Odysseus is na Troje tien jaar lang het slachtoffer van de toorn van Poseidon. Hier is hij terug thuis, maar bijna niemand die het weet. Die incognito tussentoestand in een paleis vol vrijers en vrouwelijk huispersoneel dat met de hofmakende heren het bed deelt, is niet goed voor Odysseus’ razende hart. Het orgaan moet worden berispt, gekalmeerd, tot rede aangezet.

       Zo lag Odysseus daar neer, terwijl hij de slaap niet kon vatten,
       zinnend op kwaad voor de vrijers. Toen kwamen de vrouwen het huis uit
       die met de minnaars al eerder de liefde hadden bedreven
       en zich in vrolijk gepraat en gelach met elkaar onderhielden.
       Aanstonds ontstak het hart in zijn borst in hevige woede
       En in zijn geest en gevoel overwoog hij en was hij in twijfel,
       of hij zich op hen zou storten en elk van de vrouwen zou doden,
       of dat hij haar voor het laatst zou toestaan de nacht door te brengen
       met de vermetele vrijers. Hij gromde inwendig van woede.
       Zoals een hond een man die haar weerloze jongen benadert
       aanblaft, terwijl zij, klaar om te vechten, zich boven hen opricht,
       zo ook gromde in zijn hart hij van woede over die ontucht.
       Maar hij beklopte zijn borst en berispte zijn hart met de woorden:
        ‘Duld dit, hart, je hebt nog wel ergere dingen verdragen,
       toen, op die dag waarop de Cycloop met zijn toomloze spierkracht
       zich aan je weerbare mannen tegoed deed. Je hebt dat verdragen,
       tot jou mijn list uit mijn hol hielp, terwijl je je dood al nabij dacht.’
       Daarmee trachtte Odysseus zijn hart tot kalmte te manen.
       En het gehoorzaamde hem en wist zijn toorn te beheersen,
       heel de tijd door. Zelf lag hij daar echter te woelen en draaien.


Myrrha: het wankelende hart
Zo’n achthonderd jaar na Homerus maakt het divided self bij Ovidius’ helden en heldinnen plaats voor een romantic agony. Myrrha – zij kan, net als Odysseus, de slaap niet vatten, een uitgelezen moment voor het hart om van zich te laten horen – heeft een verboden liefde opgevat voor haar vader Cinyras.

       ’t Was middernacht. De slaap had moede mensen en hun zorg
       ontspannen. Maar in Cinyras’ paleis ligt Myrrha wakker,
       verteerd door niet te blussen vuur, een wild verlangen in
       haar hart, dat ofwel wanhoopt of naar daden zoekt; dat schaamte
       en lust voelt en niet weet wat het moet doen. Zoals een boom
       hoog op zijn stam gewond wordt door de bijl en vóór de nekslag
       aarzelt hoe hij zal vallen en rondom paniek verwekt,
       zo wankelt ook haar hart, afwisselend gepijnigd, neigend
       naar links, naar rechts, onzeker zwaaiend tussen dubbel kwaad.
       Zij vindt, behalve sterven, rust noch einde voor haar hartstocht
       en kiest voor sterven.


Medea: het verschrikkelijke hart
Het is waarschijnlijk Euripides’ vondst dat Medea haar kinderen eigenhandig vermoordt om haar ex Jason in zijn hart te treffen. Dit zijn Medea’s eerste woorden in het stuk en de reactie van de min van haar twee jongens.

       Medea:
       O, rampzalig, hopeloos lijden.
       O nee, nee. Was ik maar dood.
               
       Min:
       Dat is het nu, lieve jongens.
       Je moeder prikkelt haar hart,
       zij prikkelt haar drift.
       Haast je het huis in, snel.
       Kom haar niet onder ogen.
       Ga niet naar haar toe,
       pas op voor haar wilde geest,
       voor de afschuwelijke aard
       van haar trotse hart.
       Vooruit, ga gauw naar binnen nu.
       Natuurlijk barst die opstijgende wolk
       van gejammer zo dadelijk los
       in een flits van razernij.
       Hoe zal zij reageren,
       die ontembare, hartstochtelijke vrouw,
       door vernedering gestoken?
               
       Het koor, net voor de kindermoord:
               
       Waar vindt u de durf
       in uw geest, in uw hart
       de verschrikkelijke moed
       op een kind af te gaan?
       Hoe houdt u het oog
       dat valt op uw zoons
       bij de moord zonder tranen?
       U kunt niet, als smekend een kind
       voor u knielt, met meedogenloos hart
       uw hand dopen in bloed.
               
       Na de moord:
               
       Medea:
       Noem mij een leeuwin, als je dat wilt,
       een monsterachtig beest als Skylla in de zee,
       ik heb jou in je hart geraakt zoals het moest.

       Jason:
       Jijzelf lijdt ook en deelt in mijn ellende.

       Medea:
       Zeker, maar mijn pijn heeft zin als jij niet lacht.


Het hart zonder harp
In Agamemnon, Aeschylus’ tragedie over Achilles’ kwelduivel voor Troje die nu thuiskomt, laat het koor, de stem van het volk, het hele stuk door zijn angst voelen voor wat in het paleis te gebeuren staat. Als aan het begin de vlam van de overwinning zichtbaar is geworden, reageert het al allesbehalve triomfantelijk. De beelden van het hart beklijven, maar waren het voor Aeschylus wel beelden? We weten het niet.

       Zeus, die de mensheid
       de weg wees naar wijsheid
       en ‘lering door lijden’ liet gelden.
       Er druipt in de slaap door het hart
       een pijn die het leed niet vergeet.
       Ook ongewild komt bezinning.
       Genade van goden, op trotse tronen
       gezeten, is soms gewelddadig.
        […]
       Overal waar in het Griekse land
       de troepen zijn uitgerukt,
       is in ieders huis een rouwende vrouw
       met een radeloos hart te vinden.
       Ja, veel dringt door merg en been.
       Zij weten wie ze stuurden
       maar in plaats van een held
       keert in elk huis
       een urn met as terug.
        […]
       Wie is zo onnozel of hersenloos
       om door het nieuwe bericht van de vlam
       zijn hart te laten verwarmen om dan
       onder een ander verhaal weer te lijden?
        […]
       Waarom spookt toch steeds
       die angst door mijn hart,
       dat overal voortekens ziet?
       Ongevraagd, onbeloond
       profeteert mijn gezang.
       In de zetel van mijn ziel
       zit geen sterk vertrouwen
       om dit als een duistere droom
       af te schudden.
       De tijd is vergrijsd
       sinds op het zanderig strand
       het ankertouw ingehaald werd
       toen het leger scheep ging naar Troje.
               
       Ik zie voor mijn ogen
       zijn terugkeer
       en ben zelf getuige,
       maar toch zingt mijn hart zonder harp
       uit zichzelf in mijn binnenste
       het klaaglijk gezang
       van een Wrekende Geest
       en mijn hoop mist
       het volle vertrouwen.
       Nee, het lichaam liegt niet
       waar gevoel is voor recht
       en het hart zijn kringen
       niet vruchteloos draait.
       Ik bid dat uit mijn voorgevoel
       loze vruchten vallen.
        […]
       Als het lot van de een,
       zoals god het bepaalt,
       niet door andermans lot werd beperkt,
       was mijn hart mijn tong vóór
       en stortte het dit uit.
       Nu gromt het gegriefd in het duister
       en koestert geen enkele hoop
       ooit tijdig het kluwen
       van een koortsige geest
       af te winden.
        […]
       In mijn hart
       drong een druppel,
       gedrenkt in saffraan,
       zoals die aan het eind op het slagveld valt
       bij het licht van een ondergaand leven,
       en het duister komt snel.


Eros: razende harten
Eros is een oerkracht, een ‘dictator op aarde’, volgens Euripides. Je moet naar deze weldadige hartziekte verlangen, maar met mate. Eros bewerkt harten en maakt ook slachtoffers, zoals Phaedra, die verliefd wordt op haar stiefzoon Hippolytus, gezworen maagd. Het koor bezingt de god, voorzichtig:

       Eros, Eros,
       u die in ogen
       verlangen laat stromen
       en heerlijk genot in het hart brengt
       wanneer u de wapens opneemt,
       verschijn nooit bij míj met ellende,
       kom niet zonder maat.
       Want geen flits van vuur
       of van sterren is sterker
       dan pijlen van Afrodite,
       geschoten door Eros,
       de zoon van Zeus.
        […]
       Hij zweeft over aarde en ruisende
       zilte zee en betovert, Eros,
       wanneer hij de razende harten bestormt
       op zijn gouden, glanzende vlucht,
       de jeugdige schepselen,
       bergwelpen, zeedieren,
       al wat de aardbodem voedt
       en de brandende zon aanschouwt,
       en ook mensen.


Cupido: de pijl door het hart
Het intussen door overconsumptie vermoorde beeld van de pijl in het hart maakte vooral sinds het hellenisme opgang, toen Eros – ‘de wind uit de bergen die op de eiken valt’ – zich metamorfoseerde tot ondeugend Cupidoknaapje dartelend aan zijn moeders zijde. Bij Ovidius schiet hij, boos op Apollo, zijn pijlen af op Apollo en Daphne:

       Na deze woorden vloog hij vleugelwiekend door het luchtruim
       en landde schielijk op de donkere Parnassustop
       en trok een tweetal pijlen uit zijn koker, elk verschillend
       van doel: de een dooft liefdesvuur, de ander wekt het op.
       De pijl die opwekt is van goud en schittert met zijn pijlpunt;
       de pijl die dooft is nogal stomp, de schacht loopt uit in lood.
       Die laatste schoot nu Cupido op Daphne af, de eerste
       beschadigde Apollo’s hart, tussen de ribben dringend.
       Hij is terstond verliefd, zij wil van geen verliefdheid weten.



De samensteller is voor deze kleine en willekeurige bloemlezing uitgegaan van de vertalingen en heeft de bronteksten maar met mate bekeken. Dat is een zeer discutabel uitgangspunt. Het beantwoordt aan de realiteit van hoe vertalingen functioneren: als zelfstandige teksten. Het zou een bijzonder boeiend onderzoek zijn om, na zowat dertig jaar studies over ‘emoties in de oudheid’, na te gaan hoe gevoelswoorden uit het Grieks en Latijn in het Nederlands worden weergegeven, welke discrepanties er zijn in de diverse gevoelswerelden, en of je die in vertaling kunt weergeven.



BIBLIOGRAFIE

Aristoteles, Retorica. Vertaald en ingeleid door Marc Huys. Historische Uitgeverij, Groningen, 2004.
Euripides, Verzameld werk I. Vertaald door Gerard Koolschijn. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2001.
Homerus, Ilias. Ingeleid en vertaald door H.J. de Roy van Zuydewijn. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2004.
Homerus, Odyssee. Ingeleid en vertaald door H.J. de Roy van Zuydewijn. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2004.
Ovidius, Metamorphosen. Vertaald door M. d’Hane-Scheltema. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1998.