Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Het hart en de taal van de waanzin

Verschenen in: Een spier van goud


Samen met het Haarlemse Teylers Museum maakten we in 2004 in het Museum Dr. Guislain te Gent de tentoonstelling ‘Het hart – geschiedenis, verhaal, verbeelding’. De opzet was niet zozeer een medisch-biologische, maar wel een cultuurhistorische benadering van het hart. Voor het Museum Dr. Guislain – dat de geschiedenis van de psychiatrie als hoofdthema heeft – was de keuze voor dit onderwerp niet toevallig. Met die tentoonstelling wilden we de grote betekenis van het hart in onze cultuur beklemtonen. Onze aandacht ging daarbij zeker naar de relatie tussen psychische aandoeningen en het ‘hart’. Ook de ‘eerste’ Belgische psychiater Joseph Guislain (1797-1860) was hier sterk door gefascineerd.

De taal van het hart
Professor Guislain was in zijn colleges aan de Gentse universiteit (die later in boekvorm zijn gepubliceerd) op zoek naar het hart van de waanzin. Als bij een geesteszieke ‘diep verborgen motieven in beweging moeten worden gebracht’ en op die manier moet worden gepeild naar de oorzaak van zijn aandoening, luidt zijn advies: ‘Alles wat nauw verwant is met het hart zal het voorwerp zijn van speciaal onderzoek.’ Het is duidelijk dat hij met het ‘hart’ niet louter de ‘pomp’ bedoelt, maar iets anders, iets meer. Een tijdgenoot van Guislain, de Franse filoloog Emile Littré (1801-1881), somt niet minder dan eenentwintig betekenissen op van ‘hart’. De eerste vijftien geven het brede semantische spectrum voldoende weer: ‘1° Orgaan dat het bloed beweegt; 2° de borstkas; 3° geheel van affectieve vermogens en morele gevoelens; 4°geheugen van de gevoelens; 5° morele zin, bewustzijn; 6° moreel temperament; 7° intieme gedachten, verborgen neigingen; 8° de affectie, de tederheid, de liefde; 9° de persoon zelf die deze verschillende gevoelens gewaarwordt; 10° hartstocht, sterke belangstelling; 11° moed, stabiliteit; 12° generositeit; 13° de belangrijkste kracht, het voornaamste belang; 14° de maag; 15° het centrale deel van iets […]’
       Met uitzondering van de eerste en zuiver medische inhoud, aldus de Zwitserse literatuurprofessor Juan Rigoli, weerklinkt elk van die betekenissen in het ‘hart’ van Guislain. Het ‘hart’ van de waanzin is tevens het ‘centrum’ van de geesteszieke. Het bepaalt hem als moreel individu. Het bestaan van dat ‘hart’ wordt bevestigd door diegene die weet ‘hoe hij de sonde in de vergaarbak van de gevoelens moet steken’, ‘het verstand moreel moet bekloppen’ en ‘de morele polsslag moet onderzoeken’, zoals Guislain aan zijn studenten, toekomstige artsen, onderricht: ‘Als jullie de kunst bezitten om deze delicate operaties tot een goed einde te brengen, zullen de intelligentie [en] het hart jullie antwoorden: ze zullen jullie vertellen welke elementen lijden, maar ze zullen het niet zeggen in de gangbare taal van de zieken. Het is een taal waarvan jullie de betekenis goed moeten leren begrijpen.’ De zieken die getroffen worden door een gewone aandoening hanteren een ‘taal’ die iedereen begrijpt. Het immateriële ‘hart’ van de geesteszieke echter geeft uiting aan zijn ‘lijden’ in woorden en accenten, in een ‘pathetische’ taal, waarvan de ‘betekenis’ moet worden ontdekt of geïnterpreteerd. Guislain noteert dat de taal van het hart weliswaar moeilijk toegankelijk is, maar toch een centrale plaats krijgt in de benadering van geesteszieken. Met die overtuiging neemt hij plaats in de complexe geschiedenis van hart, ziel en waanzin.
       Het hart wordt in onze cultuur nogal eens vereenzelvigd met het diepste zelf, de zetel van het gevoel en de geest. Binnen de invloedssfeer van het christendom is men bij de zoektocht naar het brandpunt van de bezieling altijd onverstoorbaar afgestevend op het ‘hartorgaan’. ‘De christelijke taalspelen en gevoelsdisciplines hebben een heel universum aan subtiele fysiologische kwalificaties opgebouwd, die geen ander doel hebben dan de vereenzelviging van hart en emotioneel centrum te verdiepen en te beklemtonen; hartelijkheid betekent voor gekerstende Europeanen, vooral tijdens de Middeleeuwen en in het begin van de nieuwe tijd, affectieve kernsubjectiviteit zonder meer.’(Sloterdijk) Het is duidelijk dat die intieme omgang, bijna gelijkschakeling tussen het ‘zelf’ en het ‘hart’, die zoektocht naar een ‘kernrelatie’ doorheen geschiedenis, culturen en religies anders gevoeld en verklaard wordt. Meer nog: verklaring en gevoel, uitleg en taalgebruik lopen soms ver uiteen.

Oud is koud
Meer dan tweeduizend jaar geleden geloofde de Griekse filosoof Aristoteles dat het hart de bron was van geestelijk leven. Dit moest zo zijn wegens de dynamische activiteit en warmte. Dit stond volgens hem in fel contrast met de functie van de hersenen, die het bloed moesten koelen. Aristoteles zag een relatie tussen het hart en psychische aandoeningen. Hij bracht de melancholie in verband met heftige emoties. Melancholici gedragen zich redeloos en onbeheerst. Ze hebben een bijna ziekelijke behoefte aan bevrediging van lichamelijke verlangens. ‘Ze functioneren niet zoals het behoort, ze worden belemmerd door een bepaalde structurele fysiologische stoornis, waardoor ze worden “gebeten” en in een voortdurende spanning en irritatie gehouden.’ (Van der Eijk) Symptomen van de melancholische aandoening zijn ‘associatief denken, wat soms bij toeval een goede ingeving oplevert maar meestal het doel voorbij schiet’, ‘weinig behoefte aan slaap’ en als ze slapen ‘verwarde maar soms ook helderziende droombeelden’.
       Aristoteles brengt die verschijnselen in verband met de aanwezigheid van de zwarte gal. Hij maakt echter niet duidelijk of het gaat om een bijzondere hoeveelheid zwarte gal in het lichaam of om de aanwezigheid van zwarte gal op een bepaalde plaats in het lichaam, bijvoorbeeld rond het hart. De Griekse filosoof gaat duidelijk terug op de medisch-fysiologische leer van de vier constitutietypen: de galachtige, de slijmachtige, de miltachtige, de bittergallige. Die constituties worden gevormd onder invloed van een bepaald leefpatroon en door inwerking van klimaat, milieu, water, lucht en voeding. Ze kunnen zich vervolgens bestendigen en een ‘tweede natuur’ worden en zo van de ene generatie op de andere worden overgedragen. Men spreekt regelmatig over ‘de melancholici’ als een groep mensen die een speciale aanleg hebben voor bepaalde, met de vorming van zwarte gal gepaard gaande ziekten. De melancholie uit zich – behalve in tal van lichamelijke klachten – in diverse cognitieve en emotionele stoornissen, zoals hallucinaties, angstdromen en een gebrekkig concentratievermogen. Het Griekse melancholan staat voor ‘gestoord’ en ‘buiten zichzelf’ zijn.
       Het is opvallend dat het hart hierbij een wezenlijke rol speelt. Aristoteles suggereert dat de temperatuur de gal opwarmt respectievelijk afkoelt, waardoor het hart als centrum van het denken eigenaardige dingen veroorzaakt: ‘Zo is iedereen bij wie de zwarte gal in grote hoeveelheid en in koude toestand aanwezig is, traag van begrip en verdwaasd, maar degenen bij wie ze aan de warme kant is en in grote hoeveelheid aanwezig is, raken snel buiten zichzelf, krijgen geniale trekjes, worden snel verliefd en laten zich snel meevoeren door hun hartstochten en begeerten, terwijl sommigen ook praatziek worden. Velen worden ook getroffen door ziekteverschijnselen waarbij ze buiten zichzelf raken of in geestesvervoering, doordat die warmte zich bevindt in de buurt van de plaats waar het denken zetelt.’ Die plaats is het hart. Aristoteles betoogt in zijn Over melancholie dat wanneer de zwarte gal kouder wordt, ze allerlei vormen van neerslachtigheid teweegbrengt, maar als ze warmer wordt, maakt ze mensen opgewekt. Zo zijn kinderen opgewekt, maar ouderen neerslachtig; de eersten zijn warm, de laatsten koud. ‘Want ouderdom is een vorm van afkoeling.’ Aristoteles vermeldt dat warmte plotseling kan verminderen door externe oorzaken, zoals het geval is bij brandbare materialen die op onnatuurlijke manier worden gedoofd, bijvoorbeeld kolen waar water overheen wordt gegooid. Zo kan het voorvallen dat sommige mensen na dronkenschap de hand aan zichzelf slaan. ‘De warmte die van de wijn komt, is namelijk van buiten af aan het lichaam toegevoegd, en wanneer die uitgedoofd is, overvalt het hen.’ Het is duidelijk dat Aristoteles een nauw verband zoekt tussen het sublieme en het laag-bij-de-grondse, de verhevenheid van de scheppende geest en de donkere diepte van de zwarte gal. Het hart en de temperatuur eromheen spelen een voorname schakel in zijn zoektocht, die erg invloedrijk is geweest.
       Aristoteles staat met die verklaring niet alleen. Hij valt terug op de oudste Griekse medische teksten van circa 425 voor Christus, overgeleverd in het Corpus Hippocraticum – een verzameling medische geschriften toegeschreven aan Hippocrates, maar in werkelijkheid het werk van een groot aantal auteurs. De invloed van de hippocratische teksten op onze westerse houding tegenover lichaam en geneeskunde is nog tot na de middeleeuwen zeer groot geweest. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die benadering van het hart als centrum van denken en gevoel – hoe haaks ze ook staat op de moderne natuurwetenschappelijke bevindingen –  in onze cultuurgeschiedenis opduikt.

Hartmaaltijd
Middeleeuwse liefdesverhalen en heiligenlevens bevatten een interessante, maar voor ons wel erg (letterlijk) ingrijpende kijk op hart en ziel. Vasthouden aan het eigen ‘aparte’ hart is hier moeilijk, zo niet onmogelijk. Wie ‘hartelijk’ is, is per definitie uit op anderen, op gezelschap en is dus geïnteresseerd in concordia, het op elkaar afstemmen van de hartritmes. Hart en ziel zijn daarbij zo innig en dus letterlijk één geworden.
       De Herzmaere van de dertiende-eeuwse dichter Konrad von Würzburg is een liefdesdrama. Alle elementen zijn erin aanwezig: het hart, de vereniging, de breuk, de pathologie en de dood. De dichter vertelt over een ridder en een dame die bijzonder veel voor elkaar voelen, weliswaar volgens ‘de wetten van de hoofse liefde’. Ze hebben hun leven en hun zielen zozeer in elkaar verweven dat ‘het innerlijk van beiden één geheel is geworden’. De band tussen de dame en haar wettige echtgenoot vernietigt echter elke hoop op vervulling. Zo wordt de innige verbintenis voor beiden een oorzaak van kwelling en ondergang. Als de jaloerse echtgenoot wordt gewezen op de verhouding tussen de twee, vat hij het plan op om samen met zijn vrouw een pelgrimstocht te maken naar het Heilige Graf en zo de geliefden van elkaar te vervreemden. De dame stelt echter voor dat de ridder in haar plaats de reis onderneemt. Zoals het hoort, gehoorzaamt de ridder zijn ‘gebiedster’. Als liefdespand neemt hij een ring van haar hand. ‘In het verre oord metselt de melancholische ridder zijn hevige kwellingen in zijn hart in, en na een periode van smachtende verkwijning sterft hij in den vreemde.’(Sloterdijk) Voor zijn dood heeft de ridder aan zijn schildknaap gevraagd om zijn hart ‘bloedig en rauw’ uit het lijf te snijden en het, zorgvuldig gebalsemd en opgeborgen in een schrijn, samen met de ring, als het ware het herkenningsteken van zijn hart, bij de dame in het verre land te bezorgen. Het ‘geschenk’ wordt door de jaloerse echtgenoot aan de kasteelpoort onderschept: hij herkent de ring en meteen ook het ‘liefdesgeheim’. De echtgenoot laat het hart door zijn kok als spijs toebereiden en zet het zijn gemalin voor. Als de dame na de maaltijd bevestigt dat ze nog nooit zo iets lekkers gegeten heeft, vertelt de echtgenoot het geheim. Ze zweert, na het eten van de edelste van alle maaltijden, nooit nog een maaltijd aan te raken. Haar hart breekt ter plekke en ze sterft.
       De dichter prijst de beide geliefden als toonbeeld van wederzijdse overgave. Peter Sloterdijk ziet in het gekookte ridderhart een equivalent van de hostie. Het eten van het hart van de geliefde is een ‘sublieme’ vorm van vereniging. De twee wegen in de liefde, de ‘vulgaire’ en de ‘gesublimeerde’ zitten hier verrassend dicht bij de ‘eucharistie’: het liefdeszieke hart kan herstellen door een feitelijke en letterlijke vereniging. Sloterdijk: ‘Dat lijden en dood de gepaste beloning voor ware liefde moeten zijn en dat een hartverterende communie liefdesdagen en -nachten van het paar moet vervangen – dat heeft in zijn bekonkelde ongerijmdheid eerder een morbide uitwerking op het hoofse publiek van zijn tijd dan dat het tot soortgelijke sublimaties kon aanzetten.’ Het hart van de geliefde kan dan misschien niet levend zijn tegenhanger in de boezem van de vrouw bereiken en komt niet verder dan een unio mystica met haar ingewanden. De ultieme vereniging in de liefde krijgt in deze Herzmaere op het eerste gezicht vrij pathologische trekken: het opeten van het hart en de dood die erop volgt is dé oplossing voor een ziekmakende liefde.
       Straffer nog dan de menselijke liefde is het middeleeuwse voorbeeld van de (harts)liefde van de mens voor God. Bij Catharina van Siena gaat het om een letterlijke mystiek-fysiologische metamorfose. Catharina hoort haar hart niet meer kloppen. ‘Want de Heer is aan mij verschenen en heeft mij de linkerkant van de borst geopend, en hij heeft er mijn hart uit verwijderd en is ermee weggegaan.’ Opeens wordt ze door hemels licht omstraald. ‘De Heer boog naar haar voorover, opende andermaal de linkerkant van haar boezem en legde het hart dat hij in zijn handen hield er omzichtig in terug. Hij nam het woord en sprak tot haar: “Zie, mijn lieve, eerbare dochter, ik heb je hart weggenomen om er het mijne voor in de plaats te geven. Zo zal het je leven lang voor je blijven kloppen.”’ Hier is de ruil nog intiemer en gedurfder: er is niet langer sprake van een ruil van het ene mensenleven voor het andere, maar van een mensenleven voor God. Sloterdijk hanteert hier een psychiatrisch jargon en spreekt van hysterie. Dit is naar zijn definitie ‘het vermogen om zinswendingen in lichaamsverschijnselen om te zetten’. In overeenstemming met de taalspelen van kloosterlijke ascese verlangt Catharina ernaar zich als het ware van haar eigen ingewanden los te maken om zowel in fysieke als psychologische zin leeg te worden. ‘Door haar hart te nemen geeft de Heer, althans in de eerste fase van het drama, enkel gevolg aan de onweerstaanbare smeekbede van de non om zich te ontledigen teneinde beter in haar partner te kunnen binnendringen. Wanneer ze leeggemaakt, uitgehold, van haar ingewanden en hart ontdaan is, gaat van haar holle ruimte een aanzuigende werking uit waartegen ook, nee juist, de god in haar geen verweer heeft.’ De eenheid tussen hart en ziel heeft wellicht in die metamorfose haar ultieme intimiteit gekregen. Het is niet verwonderlijk dat de hartsymboliek nog voorwerp zal zijn van innige religieuze zielsverbondenheid. Anders gezegd: de wijze waarop de onlosmakelijke verbondenheid van lichaam en geest hier wordt gethematiseerd, doet wel verrassend hedendaags aan.
       De Britse arts William Harvey ontdekte de functie van het hart in 1628. De nuchtere notie dat het ‘orgaan’ een ‘pomp’ is ter voortstuwing van het bloed, werd ervaren als een schok. De diepe eenheid tussen lichaam en geest, tussen hart en ziel leek bedreigd. Lichaam en geest leken aparte wegen te gaan. Dit dualisme kende zeer merkwaardige voorbeelden.

Het soldatenhart
De Amsterdamse hoogleraar in de cardiologie A.J. Dunning heeft aan het ontkennen van de band tussen hart en geest een merkwaardig essay gewijd in zijn bundel Uitersten. Beschouwingen over menselijk gedrag. Het essay draagt als titel ‘Het soldatenhart. De zwakte van de bloedsomloop op het slagveld bij wie geen held wil zijn’. Dunning vindt het merkwaardig dat bij de 360.000 op medische gronden ontslagen Britse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog er ruim 36.000 ontslag krijgen op grond van een vermoede hartziekte terwijl er nog geen 20.000 als geestesziek geboekt staan. De hartziekte was een grote reden tot zorg. De oorzaak van het ziektebeeld was onduidelijk en de behandeling twijfelachtig.
       Bij onderzoeken kwam nooit een psychiater of een psycholoog te pas. Er was, zo schrijft Dunning, sprake van een ‘eenvoudige diagnostiek’, waarbij men tot twee typen diagnoses kwam. De ene diagnose was ‘gestoorde hartactie’ of soldatenhart, de andere hartklepaandoening als er een geruis werd gehoord. Alle klachten van uitputting, kortademigheid, hartkloppingen en duizeligheid werden herleid tot die twee categorieën. Dunning prijst zijn collega’s als scherpe waarnemers, ze kunnen het soldatenhart goed beschrijven, maar het verklaren kunnen ze niet. De term ‘soldatenhart’ is merkwaardig. James Mackenzie beschreef al in 1908 de symptomen van het soldatenhart. De ziekte kwam echter niet alleen bij soldaten voor, maar ook bij gewone arbeiders. Enkele jaren eerder – in 1905 – zocht Sir Clifford Allbutt de oorzaak van de aandoening bij de uitputting van de spieren. Zowel Mackenzie als Allbutt weerlegden het negentiende-eeuwse idee dat het ‘soldatenhart’ alleen te vinden was in het leger. Vreemd is dat tijdens de oorlog die visie niet werd gehanteerd: men plooide terug op exclusiviteit voor het leger. Thomas Lewis, een beroemde Britse cardioloog, begon zich met het ‘soldatenhart’ bezig te houden. Hij vond dat de klachten leken op die welke optreden na zware lichamelijke inspanning. ‘Soldatenhart’ werd herdoopt in ‘inspanningssyndroom’ en Lewis schrijft er een monografie over ter instructie van de artsen te velde. Hij bemerkte echter snel dat er zich onder die term een uiterst heterogene verzameling van patiënten ophield. Dunning: ‘Er waren de lichamelijk zwakken en slappen, maar ook gezonden na extreme uitputting aan het front, en ook soldaten na een ernstige infectieziekte, na gasvergiftiging of met een niet herkende hartziekte, kortom een spectrum van mogelijke oorzaken, leidend tot één klacht, het onvermogen tot inspanning.’ Echt objectieve afwijkingen werden zelden gevonden. Lewis dacht net als zijn leermeester Mackenzie dat de oorzaak ervan infectie was. Het syndroom werd erkend en er volgde een uitkering van een oorlogspensioen. Mackenzie zag beterschap door het voorschrijven van vissen, paardrijden, schieten, golfen en marsen. Behandeling met beschikbare hartgeneesmiddelen gaf geen verbetering. Het nastreven van een betere lichaamsconditie zou de natuurlijke weerstand van het lichaam tegen infecties verhogen, zo luidde de redenering.
       Amerikaanse artsen geloofden het Britse onderzoek niet, maar ze hadden minder ervaring. Zij kwamen tot de conclusie dat het ‘soldatenhart’ een inspanningssyndroom was, dat werd veroorzaakt door angst en vrees en dat verdween als de oorspronkelijke oorzaak werd weggenomen. Leo van Bergen: ‘De klachten kwamen en gingen met het oorlogsgeweld en dus was in hun [Amerikaanse, P.A.] ogen vrijwel elke klacht op angstneurose terug te voeren.’ De Britten zaten duidelijk op een ander spoor: voor hen diende voor elk psychiatrisch beeld een lichamelijke oorzaak te worden gevonden. Dit is op zich niet zo vreemd, gezien de psychiatrie op het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw oorzaken van geestesziekte in de conditie van het lichaam zocht. De achterdocht van de Amerikanen bleef. Zij bleven elke klacht terugbrengen op angstneurose. Van Bergen: ‘Wie er gelijk had, zal wel altijd de vraag blijven, maar het is duidelijk dat de oorlogsgruwelen zowel in geestelijke als in lichamelijke klachten tot uiting konden komen. De hartklachten vormden een zowel herkenbare als gerespecteerde uitingsvorm. Militair gezien was duidelijk dat de soldaat ongeschikt voor frontdienst was, en een hartkwaal bevrijdde de arts van een patiënt en het leger van een ongeschikte, op een voor alle partijen eervolle wijze.’

Battle dress versus nylon

Na de oorlog namen de militaire artsen hun burgerpraktijk weer op. Tot hun verwondering zagen ze het ‘soldatenhart’ opnieuw opduiken, maar nu zonder de begeleidende omstandigheden van oorlog, infecties en doodsdreiging. Ze inventariseerden en stelden vast dat het meestal ging om vrouwelijke patiënten van ongeveer vijfentwintig jaar oud en dat de aandoening familiair bleek te zijn. ‘Emoties, grote mensenmenigten en inspanning wekten de klachten op. Geruststelling en goede zorg deden ze soms verdwijnen, al bleven er hardnekkige patiënten over.’ (Dunning)
       Paul Wood kwam tot de conclusie, die men daarvoor nog ontweek: de klachten werden niet door inspanning opgewekt maar door angst: ‘Het inspanningssyndroom ging gekleed in battle dress, de hartneurose in nylon.’ Wood meende dat vrouwen, Joden en Italianen emotioneler waren dan mannen, Britten of Schotten en er vaker aan leden. Hij liet de behandeling graag over aan psychiaters en psychologen. Die meenden, anders dan hun vakbroeders cardiologen, dat ‘een fundamentele zwakte van de persoonlijkheid, ontstaan door conflicten op kinderleeftijd, aan de basis van het klachtenpatroon lag’.(Dunning)
       De hedendaagse psychologie heeft ons geleerd dat individuen stress en psychische belasting op een heel andere manier kunnen beleven. Wat voor de ene persoon als een grote last wordt ervaren, is voor de andere een uitdaging. Hoe iemand die last draagt, daar gaat het in wezen om. Zo kunnen zelfs extreme situaties als oorlog en front voor de ene leiden tot een onnoemelijke angst en voor de andere tot berusting en afstomping van de gevoelens als prijs voor de overleving. Het bloed kruipt dan waar het niet gaan kan en de onuitgesproken angst heeft een uitweg gezocht in de lichaamstaal. Zo was tijdens de Eerste Wereldoorlog de uitputting, de hartklopping en de kortademigheid van het soldatenhart een aanvaarde uiting. Het maakte de patiënt ongeschikt voor dienst en dat was belangrijker dan een nauwkeurige diagnose.
       Dunning ziet de relatie tussen hart en geest dan ook in een zeer historisch kader. De benarde ziel zoekt ook in de lichaamstaal naar mimesis, naar de nabootsing van lichamelijke afwijkingen. De patiënten van Charcot en Freud bootsten in hysterische klachten een neurologische stoornis na en de ontmaskering van hun psychisch mechanisme was een ontdekking. Dunning: ‘Hartziekten waren in die tijd moeilijker te diagnosticeren, het hart werd een schuilplaats voor angst of uitputting en het onvermogen zich in te spannen.’ De cardioloog besluit dat mensen in hun ziekte vaak een kunstmatige taal spreken omdat ze niet werkelijk kunnen zeggen wat hen deert, anders dan in de termen die de onderzoekende arts begrijpt en kan duiden. Dit is niet alleen zo voor het hart, maar ook voor rug, maag en hoofd. In 1900 zei een Berlijnse maag-darmspecialist dat ook de dikke darm kan huilen. Het hart – de hartspier – heeft redenen die de rede van de geneeskunde niet kent. De manier waarop Guislain zijn studenten vroeg om de pathetische taal van de geesteszieke te proberen te begrijpen, was een uiting van zijn twijfel, maar zocht een link tussen taal en lichaam. Eenvoudig is dit echter niet, want lichaamstaal is net als mensentaal dubbelzinnig, zo ook is de relatie tussen hart en geest.


Bibliografie

Aristoteles (vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Philip van der Eijk), Over melancholie. Historische Uitgeverij, Groningen, 2001.
Paul Broks, Het land van de stilte. Neurologische vertellingen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2003.
Roger Cooter, Mark Harrison en Steve Sturdy (red.), War, medecine and modernity. Sutton Publishing, 1998.
A. J. Dunning, Uitersten. Beschouwingen over menselijk gedrag.  Meulenhoff, Amsterdam, 1990.
E. Esquirol, Des Maladies Mentales Considérées sous les rapports médical, hygiénique et médico-légal.
Joseph Guislain, Traité sur les Phrénopathies, Tôme Premier, Zeventiende les, Gent, 1852, pp. 435-438.
Ben Shepard, A War of Nerves. Soldiers and psychiatrists in the Twentieth Century. Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 2001.
Peter Sloterdijk, Sferen. Boom, Amsterdam, 2003.
Leo van Bergen, Zacht en eervol. Lijden en sterven in een Grote Oorlog. Sdu- uitgevers/Standaard Uitgeverij, Den Haag/Antwerpen, 1999.