Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Een complexe smak

Verschenen in: Een spier van goud
Auteur: Lucas Hüsgen


Gesprongen over de muur, onder vroeg gekwetter, kwam ik neer in het zand. Het ruiste in mijn zijden kleding, helderrood om mij uitgespreid. Ik doorzag mijn domheid meteen. Voor het eerst in een paar uur begreep ik dat ik overhaast gevlucht was en dat mijn impulsieve gedoe me in gevaar bracht. Ik zag de opklimmende heuvel met zijn bomen in de voorzichtige morgenstond, wilde opstaan, maar ook daarin was ik onbesuisd, een steek van pijn vloog door mijn linkerenkel. Ik moest verkeerd zijn neergekomen. Ch'ang Hon-Suk kwam altijd verkeerd terecht, nog voordat haar de naam werd aangemeten.
           
Ik kon staan en ging er maar van uit dat ik me in al mijn verbijten nog bewegen kon. Ik richtte de blik op de paleismuur met de grote brokken steen in brede vlakken droog leem, tuurde in zuidelijke richting, waar de daken hun vleugels weer probeerden te verheffen boven de koninklijke gezelschappen en hun ondergeschikten, waartoe ook ik behoorde. Maar ik piekerde er niet over weer languit neer te zijgen voor de koninklijke troon, het onaangedane gezicht dat zich omringt met gestileerd dooraderde bergen en omhelzingen door zon en maan. Hij beweegt niet; jij blijft liggen in de troonhal. De wind vervliegt over de groene buitenwanden onder de kleurrijke bloemschilderingen op de uiteinden van de spanten. Zo zou jij wel willen geuren.

Ik strompelde, maar strompelen is pas echt bewegen. Ik moest nu verder omhoog en vreesde het niet te redden. Ik kon niet de traag stijgende en flauw naar rechts afbuigende weg volgen, want zou dan uitkomen bij de noordwesterpoort en mocht in al mijn trots niet worden betrapt. Maar waar moet je heen als je buiten de muren van paleis en tuin de hoofdstad nauwelijks kent? Ik gooide takjes op, deed alsof het orakel tot mij sprak. Ik hield het op de lijnen van nummer 34, de Macht van het Grote. Eigengereid was ik snel tevreden met een flauwe herinneringen aan beeld en oordeel. Ik dacht: ‘dit is het moment om te vertrouwen op alles wat ik onderneem’.
       Ik ging nog niet verder dan de schaduw van de oostelijke paleismuur. De steil rijzende heuvels ademden bedreigend ware woorden, alsof paarse jongelingen de verheven scholen op het land verlieten, joelden: ‘Macht in de tenen… Bok tegen de heg!’ Het waren maar bomen. Schuchter trillend om het verraderlijk helderrood van mijn gewaad strompelde ik over de eerste heuvel. Ik danste handig over de gladde stenen van een beekje. Ik bereikte een nederzetting. De mensen sliepen. De ochtendschemering trok de dag verder open. Mijn bevrijde danspasjes met een enkel waarvan de pijn was gesust hoorden een haan. Een jonge hond kwam aangesnuffeld. Ik suste hem met zwierende armgebaren tot zijn oren plat tegen het hoofd lagen. Ik lachte zo breeduit dat de mensen weer vriendelijk besef van elkaar kregen en elkaar behoeden wilden.
       Ik moest voortmaken. Ieder moment kon de ochtendlijke stadsbel luiden die beduidde dat de vrouwen weer binnen moesten blijven, de mannen naar buiten mochten. Er restte luttele tijd om een weg te bedenken over de tweede muur waaraan mijn onbesuisde haast niet had gedacht. Ik voelde mijn enkel en wenste me toe dat ik als een jong, bijna onzichtbaar meisje tussen de veren van een witte reiger of van een kraanvogel zat die me zou wegleiden van alle muren, me de eilanden zou tonen langs de kust, de weidsheid van de zee, me naar vreemde landen zou brengen, me zou verleiden tot andere tijden. Zulk een dans kon ik niet zijn. Ik moest te voet, hinkte en vreesde het ergste. Ik zag de muur maar niet, al steeg en steeg ik na de eerste korte afdaling.
       Ik hoorde het geritsel van de vroege ochtend onder het klamme vocht van de nevel. Het werd me een pijnlijk raadsel waarom ik me zo nodig moest verliezen in het geloof dat gebouwen en bomen tot mij spraken. Had ik mij in het verleden dan voor niets verre gehouden van de mudang? Mensen zoals wij keken neer op de geestesaanroepingen in de bergen, het volkse schallen van geestenmuziek; dat gedoe rond de heilzame werking van de Berggod, de Grote Generaal kenden wij uit de verhalen van de bedienden, de kleine boeren en de slaven. Maar waarom erin geloven zodra het je uitkomt? Waarom moest ik mijn leven voor zo’n geloof in de waagschaal stellen? De enkel deed pijn.

Ik hield van veranda’s, de zwarte potten met zoetige geur. Ik hield van de schoentjes die voor de schuifdeuren wachten. Aan hen moest mijn liefde achteloos voorbijgaan. Stenen ontwijkend, mocht ze zwaardere karweitjes vermoeden. Het zwaarste werk viel in het stijgen aan mijn handen toe. Voor hun klachten was ik doof: ze wisten waar ze aan begonnen, ze hoorden. Mijn gang verliep in een zo recht mogelijke lijn tussen zand en schrille boomschors. Ik realiseerde mij donders goed dat ik nauwelijks wist hoe het was aan de overkant van de muur. Maar ik had net op tijd de wijk genomen uit het paleis: ik had gehoord van de uitgewerkte plannen om de hele verdedigingswal te verstevigen. Het bouwwerk vertoonde na al zijn honderden jaren steeds meer mankementen. ‘Ach meisjelief,’ glimlachten mijn trieste handen, ‘ginds lopen de mannen zwaarbewapend heen en weer.’ Waarom heb ik dat niet verstaan?

Ik rustte uit tussen de bomen. Hun sierlijke uitrekken boven de schemering stilde even de pijn in mijn enkel. De dag zwol aan. De huizen en paleizen in het rozige gloren interesseerden mij niet. Enkel Namsans kegel in het zuiden vervulde mij van verlangen. Meer dan de andere bergen die de hoofdstad beschermen was hij steeds mijn waakzame vertrouweling geweest. Vaak ging ik ’s avonds speciaal voor hem naar buiten, met betraande ogen, alsof ik zijn echtgenote was geworden, als een musje tussen de bomen, waar een watertje naar beneden stort, langs een tombe.
       Ik bekeek zijn rookpluim die verwaaide naar het oosten. Geruststellend kringelde maar een enkele pluim uit de linkeroven. De overige vier zwegen. De koning en de stedelingen wisten: over het ganse land geen vijand in zicht. Misschien had ik liever dat de Japanse vloot landde aan de kust van het eiland Koye. Zouden ze me meesleuren, ik zou niet meer benauwd hoeven te zijn om de schaar en om ingegraven te worden. Maar ik die niet wist hoe te ontkomen aan de vlucht waarmee ik mezelf gevangen had gezet moest het zonder de Japanners rooien.

Ik had graag voor de aardigheid de daken van Ch'angdokkung geteld, de langgerekte daken van de stad geteld, mijn ogen gescherpt door ook de daken van Kyongbokkung te tellen, mijn glazige ogen nog verder gescherpt door de daken van de twee andere paleizen, in de ochtendnevel, naar beste vermogen ook te tellen en me te verbeelden dat de geest van de boosaardige koningin-stiefmoeder rust vond in mijn meevoelende aandacht, maar nee, Chonggak, het welluidende middelpunt van de stad, liet met zijn bronzen gedreun weer van zich horen, zodat ik sidderend fluisterde tot de bomen: ‘Als ik nou betrapt word, ben ik dubbelop in overtreding.’

Onwillig beschouw ik de werkelijkheid – waar ik dagelijks in terugkeer. Treurige lieden zoeken naarstig naar wie hen verzekeren kan dat hun suizelende val niet voor niets is geweest. De speurtocht trekt de diepten binnen van een waarheid die in zichzelf verscholen ligt, bij mensen van wie de tanden zijn weggerot, bij oude mudangs en stramme dochters, bij muzikanten in koude kamers, bij slagers die zich verlieven in vroedvrouwen, rekenmeesters van vooraanstaande edellieden, of mannen in witte doeken die mager het hooi stapelen op de velden na de rijstoogst. Omdat je je telkens ergert aan je oudbakken onbezonnenheid, komt vrede nooit tot stand. Ze is een uitweg in de waarheid, maar leidt naar buiten. Hoe ik op de schommel aan de oude ginkgo uit het hoofd Confucius citeerde, de overige klassieken, die van China en natuurlijk die van ons, het hield maar niet op. Hoe de andere vrouwen tegen me opkeken, jaloers op de vader die me zo’n belezenheid toestond, en hoe vast ze ervan overtuigd waren dat ze een groot dichterstalent, een nieuwe Ho Nansorhon in hun midden hadden. Het was misschien waar, maar het kwam er niet uit. Zat ik met penseel en papier in de aanslag, dan kwam er vaak een ekster naar me toe schuifelen door het zand, als een koning met van die koninklijke behoeftigheden of een overgevoelige koningin. Het was een goed teken, maar juist daarom maakte het opstandig en broos. Ik werd lusteloos van al mijn woede om de zweepslagen van mijn vader.

Het verbouwen van een stadsmuur vergt een flinke tijd van gesteente los bikken, bijeenbrengen en transporteren. Er moesten dus zeker zwakke plekken zijn waar ik de muur moeiteloos zou kunnen bestijgen en me aan de andere kant even makkelijk omlaag kon laten zakken. Raffinement bleef vereist: ik moest ervoor waken dat de wachtposten mijn helderrode hanbok zouden opmerken. Geen boom stond volop in bloei. Mijn onbesuisde schutkleur was alleen geschikt voor de herfst.

Ik bereikte een pad dat zich al zigzaggend vlocht in het gestage stijgen van de stenen omloop. Het leek de uitgelezen plek om zonder problemen boven op de muur te komen. Maar van nabij hoorde ik twee wachtposten – op een plek waar je ze verwachten mocht. Had ik mijn onderneming van tevoren grondig doordacht, dan had ik mijn touw niet in de tuin laten liggen. Ik kon me alleen aan het toeval overleveren.
       Ik moest verder, maar kon met kloppend hart alleen schuilen en wachten. Het was niet duidelijk of de mannen op hun plek bleven of mijn kant op kwamen. Ik was een stijfkop en piekerde er niet over mijn charmes in te zetten en ze te chanteren met een dansje of een lied. Ik zou dit op leven en dood moeten presteren, mij liefst met een groot zwaard op hen storten, waarbij ik er gemakshalve van uitging dat onze soldaten tegenstanders sowieso altijd verbluft aankeken.
       Ik kreeg een slim idee. Ik zag hoe de stadsmuur aan mijn linkerhand een fikse slinger naar boven maakte, terwijl hij aan mijn rechterhand geleidelijk afliep. Het leek aannemelijk dat wachtposten beneden waakzamer waren dan boven. Gevaarlijke onregelmatigheden komen minder makkelijk voor op plaatsen die je moeilijk bereikt. Toch? Boven geniet je het voordeel van een voortreffelijk uitzicht en hoef je dat deel van de muur niet te onderhouden: dat maakt een sprong minder gevaarlijk. Vooropgesteld dat je veilig kunt landen, dat vergat ik. Om mijn grootse redenering te vervolmaken, dacht ik dat het het allerslimste was om af te wachten welke richting de wachtposten namen. Gingen ze links omhoog, dan was ik gered. Dan hoefde ik ook geen geduld meer te betrachten en kon ik stilletjes achter hen aan gaan waarbij ik ervoor moest zorgen dat ik niet met het hoofd boven de borstwering uit kwam. Misschien had ik beter meteen recht vooruit de sprong gewaagd, maar dan zou ik makkelijker door een patrouille zijn gesnapt. Mijn trotse brein verkoos een complexe smak.

De wachtposten kwamen getweeën voorbij. Ze namen de weg omhoog. Ik hoorde ze over getallen bezig en hield het erop dat ze hun salarissen vergeleken, al snapte ik niet waarom dat moest. De wasem van de openbloeiende morgenstond en het sloffen door het zand naar boven onder pluizige witte wolken leken mij van eminenter belang. Zoals ook de dolken die de twee op hun rug droegen en de aanvechting om ze razendsnel te naderen.
       Ik voerde een belachelijker plan uit. Toegegeven, de redenering was andermaal net zo voortreffelijk als de overmoed, die mijn enkel tot een zwelling had doen openspringen, pijnlijk was geweest. Op zo’n honderdvijftig meter van het keuvelend tweetal in wapperend rood en zwart sloop ik door het almaar minder omzichtige ochtendlicht. Ik had al bezig kunnen zijn met zwerftochten door het paleizenweefsel van straatjes, gangetjes, steegjes, tuinpaden en had al kunnen hurken bij het zich schikkende en plooiende water van de rots vlak voordat het strak omlaag valt en dat je aandacht verlegt naar het gedicht dat, kort voordat ik voor het eerst het paleis had betreden, gegrift bleek in de grote steen en dat herinnerde aan de witte regenboog, de donderslag, het licht boven de vallei. Maar nee. Ik moest en zou hogerop en ging ervan uit: ik kan straks zelf ook omlaag. Maar of dat zoals het zonlicht gaat? Of zal ik als een bliksemschicht uiteenrafelen, en mijzelf treffen? En hoe me te redden, als ik ongedeerd de stad uit kom?
       Dat overwoog ik niet. Laat staan beeld en oordeel van de Macht van het Grote. Ik overwoog dat ik te trots was om de twee mannen te verleiden en dat ik niet snel genoeg was voor het toestoten met twee dolken.

De deinende klosjes op hun zwarte mutsjes irriteerden. Ook het mekkerende gehinnik dat bij de linkerwachtpost voor lachen doorging. Maar eerlijk is eerlijk: ik had op de gestaag klimmende muur, die geen spoor vertoonde van enig verval dat in mijn voordeel zou kunnen zijn, liefst de terugwijkende wolken en het hemelsblauw en de vogels bekogeld met stenen en ik zou niet achter struiken wegkruipen maar zou stilstaan, met een woedend opgeheven hoofd, mijn knuisten in de zij. Lacherig zou ik voor de hele rest van mijn leven in zonnegeel gewaad dwalen langs de geurige straten samen met drie andere jonge vrouwen in zonnegeel voor altijd om mij heen. Dat zou ik allemaal het liefste doen. Maar boven had je zelfs geen struiken. Ik kon me alleen verschuilen achter mijn angst om toe te stoten met dolken.
       De muur liep over steile rotsen met boomtoppen die hongerig boven de afgrond uit reikten. Mijn enkel werd pijnlijk weer wakker alsof hij overwoog hoe vanuit de diepte achter mij het zachte plooien van mijn helderrood gewaad eenieder uitnodigde mij ongemerkt te besluipen en te overweldigen met wel iets ergers dan twee dolken. Het enige geluk dat deze dame met heldere gevoelens die wentelde door haar stommiteiten voorlopig kon bedenken was dat de muur rechts afboog zodat ik uit het zicht van de stad verdween en me kon verschuilen achter hoge bomen om verder te sluipen achter de noordelijke borstwering.
       Eerst draaide het pad van de muur kort naar links. Daar pufte ik uit. Trok uitbottend blad van de takken, zoog het binnen, zuchtte diep. Ik was toe aan een gedegen maal met een prettig bakje rijst, ingemaakte groente, miebouillon met rettich, goed doorbakken vlees, een warme beker ginsengthee. Ik wankelde. Probeerde weer te lopen, spiedde omlaag, maar ik wankelde belachelijk. Toch redde ik het. Ik  hoorde niemand gillen, ik zag vogels die wijduit zeilden boven de kleine kom, de spiegelkom van de hoofdkom tussen de heuvels aan mijn rechterhand, maar nee: de bomen, de rotsen, de heuveltjes, de heuvels en achter hen de hemel in glimmende grijze bergen wenkten allerminst geruststellend van onder het hemelsblauw. Ik dacht, bij een glimp van het beboste heuveltje midden in de kom: ‘In jou wil ik ook wel opgaan, voor jou verassen wil ik ook best.’ Helemaal niet waar, ik moest weer zo nodig denken aan de legendarische Li-Ki. Waarom, heuveltje in het midden, zou zo’n voortvluchtige als ikzelf ook niet eens proberen legendarisch te worden? Wat dachten jullie ervan, jullie, bossen die opklimmen naar de beschutting biedende bergkammen? Ik kan toch ook voor mezelf verzinnen dat ik op de vlucht was geslagen om een geliefde die ik ten koste van de paleiseer trouw wil blijven. Noem ik mij dan Lentegeur, dan zal niemand mij bespotten om mijn naam.

Het scheen mijn ongedurigheid toe dat ik de hele dag voort zou kruipen langs de nu wankele borstwering, of alleen maar een rondje wilde maken om de stad, ter beproeving van de muur, bij koninklijk bevel. Toch moest ik ergens omlaag. Sommige lieden specialiseren zich in de gevaren van de voortvarendheid. Ik moest het erop wagen om te ontkomen aan het meebuigen met de curves en me afvragen wat me nog wachtte en hoe diep het dal inmiddels was, me realiseren dat ik almaar verder verdween uit het zicht van mijn eerste panorama, met geen zekerheid dan mijn angst te worden opgemerkt onder de bomen en het wuiven van de jonge wolken.

Het tweetal draaide zich om. Mijn plan was van meet af aan ondoordacht. Het was hoogst onwaarschijnlijk dat deze heren met hun klosjes en dolken een tour zouden maken rond de hele stad, tot aan Namsan, en dan nog verder, op en neer en almaar heen en weer. Mijn naïeve respect voor de roodzwarte soldateska bewees mijn romantische onnadenkendheid. Leer dit van mij: wil je je koning verraden, beschouw dan zijn soldaten als het kaduke van jouw gebreken. Niet dat je daar veel mee opschiet.
       Het roodzwarte tweetal, kaduuk en slim, zag me. Hoe reageer je als soldaat bij de aanblik van een schone dame op een stadsmuur, gekleed in de beste paleisplunje, zij het na het luiden van de bel die haar binnen had moeten houden? Lang op antwoord wachten zat er niet in. Ik kwam omhoog met een uitdagende blik, wuifde, perste mijn lippen opeen, kreeg een laatste glimp mee van mijn kegelvormige berg, mijn waakzame vertrouweling Namsan, en sprong.

Voorover duiken had ik niet overleefd.
       Duidelijk werd hoe diep en mooi het dal was, en hoe prachtig ook de spiegelkom. Ik was welkom in de spiegelkom. De bomen en struiken wachtten mij op met vriendelijk kwetteren. Ik schampte langs een rotspunt, veranderde van koers, tolde, sloeg om, viel helemaal samen met mezelf, werd een koprol in de lucht.
       Zo sloeg mijn kop tenminste niet op de stenen bedding. De rest van mijn lichaam vond dat een goede plek.
       Ik sloeg mijn linkerschouder aan barrels. Aan prettig lijden komt niet snel een eind.

Boven zullen ze vast raar hebben staan kijken bij die eerste durfal van het verval, nog wel een dame van het hof. Ze bleef niet liggen. Dat gaat ook niet bij zo’n steil naar beneden aflopende bedding. Mijn voeten en scheenbenen die plat tegen het steen waren geslagen, gaven zonder bezwaar te kennen dat ook voor hen sprong en neerkomen geen vreugdevol genoegen waren geweest. Hun lijden stelde weinig voor vergeleken met het rollend omlaag schuiven, het graaien van handen naar houvast, de zwarte vlekken die mij en mijn lichaamsdelen voor ogen kwamen, de boomstammen die ik en mijn lichaamsdelen niet konden pakken, onze handen schuurden langs boombast, ik sloeg om boombast dubbel, schoot los.
       Het duurde minder lang nadat ik tegen de stapel stenen gesmakt was die leunde tegen een boom met twee stammen en ik had kunnen denken: ‘Zo moet ik worden begraven, hier op de helling, nog wat plezier beleven aan droeve gezichten die kruiden verzamelen in de natuur.’ De klap in mijn maag maakt het onwaarschijnlijk dat ik het dacht. De botsing voerde mijn vaart enkel maar op. Het afgesleten stenen oppervlak brandde mijn rode zijde open. De kale gladde bedding smeet me slingerend naar beneden totdat we nergens meer heen konden dan steil in de struiken smakken, na zo’n twintig meter.

Het viel mee met het bloed. Niet alles deed pijn. Ik leek dapper. Ik had niets bereikt.

Daar lag ik pijn te lijden, maar ik herinnerde mij, belezen als ik ook in mijn val was, het vierendertigste hexagram beter. De Macht van het Grote is mooi en aardig, maar, zo staat het er duidelijk, je moet niet naarstig naar beweging streven zonder geduld om het juiste moment. Boeken, beste dame, moet je niet lezen: je moet ze vertrouwen. Ik had met al mijn overmoed van zelfvertrouwen wegen betreden die zich onttrokken aan de orde. Maar dan had ik me ook wel preciezer mogen oriënteren op de ligging van de muur, de organisatie van de wachtposten, en dan was het toch onbezonnen roekeloos om te willen springen toen kaduuk en slim me zagen. Als de dame van het hof de heren in zwart en rood en met dolken en irritante klosjes nu eens ter wille geweest was boven de rotswanden, steeds vlakker en steiler? Als ze dan door de heren in de armen was genomen, zou haar charme ze dan hebben ontwapend? De dame van het hof had haar trots kunnen tonen, voordat ze werd opgebruikt – en naar beneden gesmeten.

Nu had ik in alle trots ook pijn. Tot niets meer was ik in staat. Zeker was de omringende natuur prachtig, waren de vogels en konijntjes lieflijk en sluw. Ik hoorde murmelen, rakelings voorbij aan mijn struiken. Richtte ik het hoofd wat op, dan zag ik een andere bergrug dan zojuist verlaten, en ik zag een paviljoen tegen het blauw tussen het zelfverzekerd wuiven van pijnboomtakken. De uitzichten vanuit de paleistuin had ik altijd wonderschoon gevonden. Ook had  ik de schilderkunst toegewijd bestudeerd. Ik zocht in mijn dromen elegant gebeitst houtwerk met opspringend dak naast gele akkers – waar ik mannen in paarse gewaden met dito jongelingen vanuit de struiken observeerde; hoe zij met hun boeken samenkwamen, met hun inktstenen en penselen.
       In die dromen werd ik hun paviljoen, hun wijde purperen gewaad, hun hoed van paardenhaar – een licht dat gejaagd flikkert langs de bergwand, en ik spurtte omhoog en riep: ‘O, ik het Licht der Wassende Manen; word mij Licht der Wassende Manen; wees tezamen het Licht der Wassende Manen.’
       Ik danste en zong, voelde mijn vlees, teer bemind door mijn zijde, bleef zingen en dansen, al liepen de mannen en vrouwen overhaast verder en dronk slechts een enkeling in mijn wonderschone frêle gezelschap met flonkerend oog groene thee. Maar heb je je eenmaal om je dromen uit je hele verband gerukt, dan doet de schoonheid er niet toe. Vaag dacht het restantje van mijn lichaam dat weinig pijn had aan de consternatie waarvan ik, ijdeltuit, hoopte dat ze woedde in het paleis of op de stadsmuur, of er al besluiten waren gevallen, hoe lang het nog zou duren voordat ze deze dromerige ijdeltuit zouden vinden, van welke richting ze zouden komen, haar kleding lag open want ze bloedde, dat merkte ze voor het eerst, ze wilde terugdenken aan haar jeugdige wandelingen in de lentezon, het plukken van bloesems, het feestelijke schommelen in het dorp met de vriendinnen, trippelen over de brede rotsplateaus naar de oever van een bergbeek, de voeten laten waden, de borsten ontbloten, samen giechelen als de man met pijp voorbijkomt, want daar schiet je niks mee op!
       Ik lag me samen met haar te verliezen in de vage hoop dat om ons tweetjes de myriaden der schepselen met zijn allen stilletjes een weg omhoog zochten, en ik zou ze mogen zien als ze bij haar terugkeerden, en dan zouden er piekeniers bij zijn die ons terugbrachten in de wereld, een paleis vol pijn. Misschien had ik altijd moeten willen afdalen in een ongeïnteresseerd wortelen in niets.
       Dan had ik niet te hoeven worden gered door een jonge monnik. Het was me geleerd die lieden mijn vertrouwen niet te schenken. Het waren armoedzaaiers, bedelaars. Goed genoeg voor het volk. Ooit hadden ze in hun grijze kloffie de dienst uitgemaakt, maar dat was van ver voordat wij kwamen met wit porselein en aardewerk, schoon, rein en edel. Dat wazige gedoe over reïncarnatie en daaruit verlost willen worden was ouwe koek die leidde tot gemakzucht. Jezelf cultiveren, doen wat je behoort te doen, trouw zijn aan je superieuren en bijvoorbeeld je beloften nakomen, dat legt de ware grondslag. Dan wordt het leven vanzelf een beloning, dat is de bedoeling. Dat moest ik nodig zeggen! Je als een typisch vrouwtje van een berg storten is maar heel nu en dan een voorbeeld van zelfcultivering, verovert heel zelden het hart van het ganse volk. En dan moest ik zo nodig in de handen van Boeddha springen!

Hij kwam op mijn gekerm af. Ik had mijn kop niet kunnen houden. Hij vocht zich een weg door de stramme struiken, keek me aan met het bijbehorende medelijden en begon me omzichtig uit het struweel te pulken. Als hij mij aanraakte of als mijn lichaam verschoof, verschenen aan mijn geestesoog rommelig bij elkaar getimmerde huisjes in een veld tegen de heuvel waar op een wintermiddag een vrouw de schuifdeur openschuift, buiten de zwarte aardewerken pot opent en blijft scheppen uit de zoetzure geur van kool in het vocht van pepers. Kwam ik bij, dan was ik te zwak om te zeggen ‘Je brengt jezelf in gevaar. De vreugde van de koning achterhaalt mij wel; schenden zal hij jou.’

Hij laadde mij over zijn schouders. Ik was het vliegje boven de vijver, fragiel maar beresterk. Het had iets beminnelijks, dat viezige luchtje in het stijve grijs. Ik hing met mijn hoofd tegen zijn onderrug.
       Hij stak het murmelende water over. Het water was snel: de rode vrouwelijke vlekken kermden. Toen moest hij even klimmen. Hij schikte me beter op zijn rug zodat ik haast een losse flard in de plooien van zijn lichaam leek. We gingen links, een paar treden omhoog, door een krakend poortje, iedere schokkende beweging kwam als gekerm uit mijn mond. Hij schoof een deur open. Het rook er naar wierook en warmte. Ik verdween op een matras.

Als had ik gezweefd boven een blauwpaarse rivier met badende vrouwen, oud en jong, speels en naakt. Alsof spreeuwenvluchten wolkten tussen mij en de vrouwen tegen rotswanden die gedurig van vorm en teint veranderden. Ik vernam: ‘Hier wordt niemand gepijnigd.’ Iets wits straalde van boven. Ik wilde de rivier, de vlucht der vogels in. Een tel die stilstond.
       Maar ik lag naakt, en was van vlees. Links brandde een lichtje. Hij maakte me schoon.

De ruimte was karig, leeg, gelig wit. Het papier van de vensters ritselde, vanboven ingescheurd. Ik zuchtte, hij vroeg hoe het met me was, vroeg naar mijn naam. Ik kon er niet meer opkomen. ‘Ik ben een marketentster’, zei ik. Ik voelde de pijnen van mijn onderstel, de schaafwonden, steken in de geschonden linkerschouder. ‘Ik ben een damesgeest, niet meer dan dat.’ Hij noemde mij Ch'ang Hon-Suk, ik was tevreden, glimlachte in het zachte jammeren. Of hij een naam had, die noemde hij, ik kon hem niet onthouden. Wendde mijn hoofd een beetje naar links. Naast de besmeurde restanten van wat ooit een helderrode hanbok was lagen zwarte sprieten. Ik vroeg waarom hij mij kaalgeschoren had. ‘Het is verstandig hier onder te duiken. Lopen kun je niet.’ ‘Ze krijgen me toch wel.’

Hij kreeg de kans niet mijn wonden te verzorgen. Het was donker. Respect voor Boeddha was de mijnen vreemd. Ze ramden de poort. Schoven de deur open. Stormden binnen. Ik bleef liggen. Ze mepten hem tegen de vloer, trapten hem. De vloer was warm, ik had pijn, niks om mijn naaktheid te verhullen. Ik sidderde niet. Eentje stelde voor de hele mikmak in de fik te steken. De commandant hield hem net tegen. Nog een geluk dat ik geen haren meer had. Anders hadden ze me eraan voortgesleept. Amitabha’s voorzienigheid reikte niet verder. Ik werd over een schouder geslingerd en over een paardenrug gekwakt. Daar werd ik aan vastgesnoerd. Hup, teruggevoerd, de stad in. Dag, lief hofmeisje; dag, gecultiveerde dagdromerij.

Ch'ang Hon-Suk kreeg met de zweep, het duurde wat, daar lag ze, in het brede nachtelijke zand van Chongno. Het was de moeite waard haar niet naar het paleis te slepen. Massa’s vrouwen stonden om haar heen, schuchter, kwaad, naakt kronkelde zij door het zand. Voor een laatste keer had ze de tegenwoordigheid van geest om met haar blik te zoeken naar de rookpluim van Namsan, maar tevergeefs. In het nachtelijke zand, halverwege de brede lange as van de stad, begaf ze het, nog voordat de volgende mannen in rood en zwart hun schaar tevoorschijn haalden, haar in het zand stopten en het hoofd overlieten aan de eerste dronkaards van de ochtend, die graag spelen met een schaar.

Misschien was zij het die omhoog cirkelde naar de blauwpaarse rivier. In haar hand, misschien de mijne, tintelden bloemen. Ik, misschien wel zij, schonk hun de hun toekomende namen. Een van ons geurde met ze mee. Nu goed, misschien wel ik en ik besloot zo ver mogelijk weg te komen, omdat ik het niet zeker wist, ik wenste het hele land een en al treurnis toe, zodat het voorgoed vast kwam te zitten in zijn alles inperkende kruiperigheid, ik werd liever, dat deed ik dan ook, het bleek geen probleem, een sierlijk krullende lelie, nee, toch beter het openstaande wit van een pyonsanparam. Ja, ik tuitte mijn lippen. Vloog met de duizenden paarse kokertjes van kumgangch’orong door spreeuwenzwermen boven de rivier van de oude en jonge vrouwen, en daarboven kwam ik of iemand anders een oude reiger tegen, vond er een plekje tussen de veren op de rug, het mocht, geen enkel probleem, al zei hij dat hij nog een keertje van kleur ging verschieten, of ik dat geen punt vond, ik wist niet eens wie ik was, het maakte geen barst uit of hij nu wit was of grijs. De kronkelende bevroren rivieren stemden me tevreden. Ik ontsnapte en hoefde niet meer te vallen, ik kwam gewoon thuis, in een bloembed, nee, dat was vast iemand anders, in een rotsachtig landschap met duizenden geuren, ik had een superbe neus, dat spreekt vanzelf. Waarom, dat vraag ik mij voor de allerlaatste keer af, ik heb geen reden om te klagen, versierde ik niet kaduuk en slim boven op de muur, ik was een arrogant, eigenzinnig wicht, of was ik een droomkind op benen die jou niet konden dragen, zodat je wel wat anders moest worden dan ik, stomme trut met je stomme sprong?

‘Wit worden je haren, reken erop, je lijf koekt vast met verhalen ter vermaning.’ Het was misschien een dronkaard die ochtend, toen mijn hoofd boven het zand uitstak.