Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Cultivons notre jardin

Verschenen in: Een spier van goud


De operatie is achter de rug en wat er nu moet gebeuren, zegt de chirurg, is niets. Een kwartier lang niets. Pas daarna zullen longen en hart weer aan de gang worden gebracht en zal het gat in de borstkast van de patiënte worden dichtgemaakt. De chirurg en ik verlaten de operatiezaal. Tijd voor koffie, althans voor hem en voor mij, maar niet voor de anesthesist, de man die de chirurg assisteert en de verpleegkundigen. Ze geven geen krimp, wanneer we de zaal verlaten. Ze zeggen niet: ‘Hé, wij kunnen nu ook wel een kopje koffie gebruiken.’ Ze beheersen zich. Wie zich niet beheerst, hoort niet in een operatiezaal thuis. Dat heb ik intussen in de gaten.
       Het is halftwaalf. De operatie heeft twee uur geduurd, maar de patiënte ligt al sinds halfacht op de operatietafel. Ik weet niet hoe ze eruitziet. Als ik nieuwsgierig aan het hoofdeinde van de tafel bij de anesthesist ga staan, zie ik alleen haar grijze haar. Van haar lichaam is alleen dat deel zichtbaar waarin gesneden moet worden. De rest is afgeplakt en met blauw papier afgeschermd. Ergens onder die blauwe papieren tent ligt een mens. Ik vraag de chirurg of het hem in het begin moeite kostte om in huid en vlees te snijden. ‘Wonden helen’, zegt hij. ‘Chirurgie heet niet voor niets heelkunde.’
       Ik benijd hem zijn rustige vertrouwen. Wonden helen. Ik had nog nooit bij die heel letterlijke betekenis van het woord ‘heelkunde’ stilgestaan. Chirurgen zijn heelmeesters. Ze snijden om vervolgens te helen. Bij een computer heet dat principe: knippen en plakken. Met het accent op plakken.

We zitten in de koffiekamer van het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis van Aalst. Het is een democratisch ziekenhuis. Ook de gerenommeerde hartchirurg Hugo Vanermen drinkt koffie uit de automaat. Niets is zo democratisch als een ziekenhuis: als we naakt en weerloos op de operatietafel liggen, zijn we allemaal gelijk. En ongelijk, natuurlijk. Want de ene heeft veel vet en de ander heeft zwarte longen van het roken en bij een derde wordt een kwaadaardige tumor ontdekt. De vrouw die op de operatietafel ligt terwijl het niets zich een kwartier lang aan haar voltrekt, is eenentachtig. Haar longen en hart zijn verrassend gaaf. Dat zag zelfs mijn lekenoog.
       Niets is zo ondemocratisch als een ziekenhuis. Of beter gezegd: als medische zorg. Je moet een beetje geluk hebben met de plek waar je bent geboren. België is een van de beste plekken op aarde. Korte wachtlijsten en relatief goedkope, hoogwaardige behandelingen. ‘De laatste jaren zien we hier meer en meer tachtigjarigen die verrassend goed zijn’, zegt Vanermen. ‘We geven hun een nieuwe klep of een paar bypasses en ze kunnen nog jaren voort.’
       En of er soms mensen zijn, vraag ik, voor wie het sop de kolen niet waard is? Die zeggen: laat maar zitten, ik bol rustig uit.
        ‘Dat gebeurt’, zegt hij. ‘Maar het is eerder uitzonderlijk.’
       Hij vertelt over de man van tweeënnegentig jaar die kort na zijn operatie in zijn tuin fruitbomen plantte. Nog eens zeven jaar later zouden ze een rijke oogst opleveren. Daar keek die man naar uit.
       Alle krasse oudjes over wie Vanermen vertelt, zijn verknochte tuiniers. Er valt daar vast een wijze les uit te trekken.
       Met een glimlach luister ik naar de verhalen over zoveel hardnekkige levensdrift. Maar dan word ik door verbijstering en zwartgalligheid overvallen. Waar halen die mensen hun enthousiasme vandaan? Waarom willen ze per se leven en blijven leven? Ligt het geheim van een lang en gelukkig leven werkelijk in de tuin? En reikte Voltaire ons dus de sleutel aan met zijn gevleugelde woorden ‘Cultivons notre jardin’?
       Maar het is niet Voltaire die me bezighoudt terwijl we in de koffiekamer met een plastic lepeltje in ons plastic bekertje met koffie roeren. Had ik maar aan Voltaire gedacht en had ik maar zijn veel te dikwijls geciteerde maar volstrekt onschuldige uitspraak op tafel gelegd. Al te vaak denk ik dingen die een mens niet hoort te denken. Het gebeurt gewoon, ergens in mijn hoofd. En wat erger is: ik spreek die gedachten uit. Dat komt omdat ze mijn hoofd bezetten en terroriseren en geen ruimte laten voor andere gedachten, gedachten die gepaster zijn. Ik ben er niet trots op, maar ik beken dat ik daar in de koffiekamer van het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis over de zelfmoordkliniek in Zürich begin, en over het rare fenomeen dat de ene mens zijn leven zolang mogelijk wil rekken, terwijl de ander er een eind aan wil maken.
       Professor Vanermen heeft nog nooit over die kliniek gehoord. Ik krijg zelfs de indruk dat het bestaan ervan hem schokt en verwart.
       Behulpzaam als altijd deel ik hem mee dat wie het woord ‘Dignitas’ op Google intikt op hun website terechtkomt. Die helaas in het Duits is gesteld, maar misschien is dat voor hem geen probleem. De Zwitserse wetgeving verbiedt niet dat je iemand helpt zelfmoord te plegen. Je mag iemand niet doden, maar je mag hem of haar wel assisteren bij zijn of haar zelfmoord. Op dat juridische principe is de service van de kliniek gebaseerd. Ze geven je een voorschrift voor het levensbeëindigende middel, dat je zelf moet gaan kopen en dat je vervolgens ook zelf moet doorslikken. Omdat het bitter smaakt, krijg je een stukje Zwitserse chocola en dan is het afgelopen.
       Er zijn dagen waarop ik enthousiaster ben over het bestaan van een kliniek waar je zelfmoord kunt plegen, dan over het bestaan van een kliniek waar je hart wordt opgelapt. En het ergste is dat ik daarover niet kan zwijgen tegen een man die al zijn energie in het leven investeert. Die er zijn levenswerk van heeft gemaakt en die vervolgens nog eens tijd maakt om het aan leken en onnozelaars als ik uit te leggen. Niet alleen mag ik een operatie bijwonen, maar vooraf krijg ik een inleidende les. Vanermen gebruikt er zijn laptop voor en een plastic hart, dat als een puzzel uit verschillende delen bestaat. En ook een plastic romp gebruikt hij, zoals vroeger in de biologieklas op de vensterbank stond. Romp en hart zien eruit alsof hij ze onlangs op een stoffige zolder of rommelmarkt heeft gevonden en dacht: ‘Die komen nog van pas!’ Terwijl op de laptop beelden van een open hart verschijnen, liggen de onderdelen van het plastic hart in zijn hand. Heen en weer gaat het tussen het ouderwetse en het nieuwerwetse didactische materiaal. Een aantal woorden blijven hangen: aorta, rechterkamer, linkerkamer, aortaklep. Hij heeft opvallend krachtige vingers. Vingers die een lange stoet mensen een tweede leven hebben geschonken.
       Hugo Vanermen heeft ook mijn vaders hart gerepareerd. En dat van onze vorst. Een uiterst beminnelijk man, zegt hij. En dat de sfeer tijdens die operatie niet anders was dan anders.
       Zonder Hugo Vanermen was mijn vader al dood.

Nog altijd zitten we in de koffiekamer tegenover elkaar, maar nu is een ongenode gast aan tafel bijgeschoven. Hij komt uit Zürich en spreekt alleen Duits, maar hij is niet mis te verstaan. Ik denk aan de beroemde regel van Paul Celan: ‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland.’
       Ongemakkelijk schuifelen de chirurg en ik op onze stoel. Hoe moet het verder met ons gesprek? Het hapert, het stokt, het pruttelt, het mort. We zoeken ons heil bij grote woorden: trots, hoogmoed, egoïsme. Ik zeg dat het verlangen om zelf je stervensuur te bepalen vast als hoogmoed kan worden geïnterpreteerd. En dat er iets is wat zich het best laat omschrijven als trots wat mij ervan zou weerhouden onder het mes te gaan.
       Ah ja, zegt hij, er is nederigheid nodig om je leven en je lichaam in de handen van een chirurg te leggen. Maar niet vechten voor je leven is egoïstisch, want er blijft altijd iemand verweesd achter. Het leven is verlies. Dat moet je aanvaarden. Van zodra de navelstreng wordt doorgeknipt, begint het verlies.
       Ik durf niet te zeggen dat het net zogoed hoogmoedig is om als een god mensen een tweede leven te schenken. Of een derde. En ook de patiënt maakt zich schuldig aan hoogmoed door dat te vragen of te verwachten. Het getuigt van nederigheid om je te onderwerpen aan je lot. Of aan de onvermijdelijke gang van de natuur. Aan het proces van verlies.
       Tegelijkertijd vraagt de patiënt eigenlijk heel erg weinig. ‘Ik herstel een pomp’, zegt Vanermen. ‘Het is niet meer dan dat.’
       Pompen hebben een klep nodig. De klep zorgt ervoor dat wat wordt weggepompt, niet terugstroomt. Als de klep niet goed functioneert, krijgt het lichaam te weinig zuurstofrijk bloed. Een lichaam met te weinig zuurstofrijk bloed heeft onvoldoende energie en is kortademig. Bij de geringste inspanning voelt het zich uitgeput. Het kan bijvoorbeeld geen fruitbomen meer planten of een moestuintje wieden. Het menselijke hart heeft drie kleppen. Het kan dus drie keer fout gaan.
           
Het mysterie van het hart als pomp is dat niets of niemand de pomp aandrijft. Het is geen mechanische pomp en ook geen elektrische pomp. Het hart is een perpetuum mobile. Maar dat perpetuum is dus niet eeuwig. Er komt slijtage op.
       Als ik al ooit bereid zou zijn toe te geven dat God bestaat, dan is het vanwege het mirakel van dat kloppende ding. Ik beeld me in dat als de wereld is vergaan, er nog ergens een hart zal kloppen. Koppig en onuitroeibaar.

De pomp die moet worden gerepareerd, zit in de borstkas. Zo wordt ze beschermd, maar is ze ook lastig bereikbaar. In bijna 99 percent van alle hartoperaties wordt het borstbeen doormidden gezaagd en worden de ribben opengetrokken. Maar ribben hebben geen scharnieren en verzetten zich tegen die agressieve behandeling. Nog maanden later bezorgen ze de patiënt pijn. Daarom heeft Hugo Vanermen een discretere techniek ontwikkeld. Hij maakt een incisie tussen de ribben, die met een ring wordt opengespalkt en werkt met een camera, die het hart binnendringt. Die camera zit samen met een lampje op de kop van een staaf en die staaf wordt tussen twee ribben door in het lichaam geduwd. Het lampje laat zijn licht in de duistere holtes van het lichaam schijnen. De camera seint beelden door naar twee schermen links en rechts van de patiënt. Zowel op de schermen als in het gat kun je het hart zien kloppen. Het klopt daar als een geheime schat in een donkere grot. Het is de graal, die na een moeizame zoektocht eindelijk is blootgelegd en zijn ontdekkers met verstomming slaat.
       Via de slokdarm wordt ook nog een echografie van het hart gemaakt. Er zijn dus twee soorten beelden waarop kan worden gevolgd wat binnen in het hart gebeurt: de beelden van de camera en de echografie. De chirurg is vooral geïnteresseerd in de beelden van de camera. Hij kijkt niet naar het hart zelf, maar hij kijkt naar het scherm. Omdat alles via die tussenweg gebeurt, gebruikt hij instrumenten met een relatief lange steel. Met verbluffende handigheid knipt, snijdt en hecht hij ermee, terwijl zijn blik het scherm niet lost. ‘Het is een volstrekt andere manier van opereren’, zegt Vanermen. ‘Veel chirurgen zien tegen die verandering op, maar ik heb er alle vertrouwen in dat de nieuwe generatie chirurgen die weerstand zal overwinnen. Stel je voor dat je gewoon bent hier met de auto te rijden en plotseling drop ik je in Londen tijdens het spitsuur in een geblindeerde auto. Ik stop je twee joysticks in de handen en geef je het bevel op een zestal schermen het verkeer te volgen. Die schermen zullen je meer informatie geven dan je normaal hebt, maar toch zul je je in het begin onzeker voelen. Je zult moeten leren de beelden te interpreteren en de joysticks te hanteren. Daarmee kun je het een beetje vergelijken.’
       Tien jaar geleden heeft Vanermen de techniek op honden uitgetest. Hij en zijn team hebben toen aan de Universiteit van Uppsala een of twee maanden lang iedere dag honden geopereerd tot ze de techniek in hun vingers hadden. Daarna zijn ze op mensen overgestapt.
       Ik stel een volstrekt overbodige vraag: of een chirurg veel zelfvertrouwen moet hebben. En wat hij ook nodig heeft is een uitzonderlijk vaste hand.

Voor het knippen en plakken kan beginnen, moeten hart en longen worden stilgelegd. Via een plastic slangetje in de lies wordt het bloed naar een externe long geleid, die het bloed van zuurstof voorziet. Vervolgens stroomt het naar het externe hart, dat het bloed terug naar het lichaam pompt. Het bloed wordt afgekoeld tot achtentwintig graden. Omdat er tijdens de operatie geen bloed door het hart mag stromen, wordt de aorta met een ballonnetje afgesloten. Zodra het is opgeblazen, sijpelt er geen druppel bloed meer naar het hart. Op dat moment wordt er een vloeistof in het hart gespoten waardoor het ophoudt met kloppen. Nu kan de operatie beginnen. Het lijkt en klinkt poepsimpel, en het is dat ook, maar tegelijkertijd is het waanzinnig ingenieus en uitgekiend. Het ingenieuze is dat het zo simpel is.
       Zodra er opnieuw warm bloed door het hart stroomt, begint het opnieuw te kloppen. Dat is het grootste mirakel.

De textuur van het stilgelegde hart doet me denken aan sint-jakobsschelpen. En het ontblote gedeelte van het lichaam van de patiënte aan de pakjes met wild in de supermarkt. Dat komt door de folie die over het lichaam gespannen wordt. Je vergeet dat het een mens is die er ligt. Je ziet ook geen mens. Je ziet een stuk romp waarover folie is gespannen en waarin een gat gaapt. Eerst klopt er een hart in het gat en daarna klopt het hart niet meer. Het wordt stilgelegd en open geknipt. Er worden dingen uitgehaald en in gestopt. Het is vlees dat wordt gefarceerd.
       De vrouw heeft een slechte klep die moet worden weggeknipt en vervangen door de klep van een varken. Van alle in België geslachte varkens wordt het hart naar een labo gestuurd. Daar worden de kleppen uitgesneden. Een op vijf varkenskleppen is bruikbaar voor de mens. De slechte klep van de patiënte was verkalkt en sloot daardoor niet meer goed. Ik mag ze even op mijn handpalm bestuderen: een wit velletje van geen twee centimeter groot met draadjes als de draden van een parachute of het weefsel aan de onderkant van een champignon. Van dat onooglijke ding hangt de kwaliteit van iemands leven af.
       De nieuwe klep, de klep van het varken, wordt met erg veel draden vastgehecht, want hij mag niet lekken. Niet water-, maar bloeddicht moet hij zijn. Er worden verschillende kleuren draad gebruikt om later de juiste uiteinden met elkaar te verbinden. Dat gebeurt telkens met vijf knopen. Voor een leek is het volstrekt onbegrijpelijk dat iemand erin slaagt dit precisiewerk zo snel en zo secuur te verrichten. Het werk van een hartchirurg heeft ook iets saais en repetitiefs. Als de ene klep is vervangen, moet de volgende worden gerepareerd. Het is een uitgezakte klep, waar een ring aan wordt gehecht om hem in vorm te krijgen. Opnieuw komen er bontgekleurde draden aan te pas. Ik denk dat Vanermen liever niet weet hoeveel hechtingen hij per maand aanbrengt en hoeveel knopen hij legt.

Of zo’n operatie mensen verandert, vraag ik.
        ‘Ja’, zegt hij. ‘Zeker mensen die in de fleur van hun leven zijn en drukke levens leiden. Het komt bijzonder hard aan, als ze horen dat ze onder het mes moeten. De emotionele schok is groot.’
       Maar ik bedoel iets anders. Ik wil weten of het lichaam zich achteraf herinnert dat het daar zo weerloos lag. Dat erin werd gesneden en gekerfd. Dat gaten werden gemaakt, waarlangs buizen en draden en darmpjes naar binnen werden geduwd. Dat het meedogenloos werd geperforeerd. Rouwt het om wat het is aangedaan?
       Ik kan zijn antwoord raden: het lichaam herstelt zich. Alle wonden helen.

Het kwartier ‘niets’ is om en de koffie is op. Tijd voor de patiënte. Meteen na haar is de volgende aan de beurt. Een man van vijfentachtig. Hij heeft bypasses nodig. En ja, hij werkt graag in zijn tuin.

Epiloog
Na wat heen en weer gemail met Dignitas in Zürich krijg ik deze informatie: Dignitas kan de begeleide zelfmoord regelen van mensen die lijden aan – en hier volgen letterlijk hun woorden:
- a hopeless or incurable physical illness         
- or/and uncontrollably, unbearable pain (due to a physical illness)
- or/and unendurable disabilities (due to a physical illness).
       Dignitas is met andere woorden een zelfmoordkliniek voor een welbepaalde groep. Uiteraard kan ik niet inschatten in welke mate hun criteria vatbaar zijn voor interpretatie. Vallen bijvoorbeeld een defecte hartklep of dichtgeslibde aders onder de noemer ‘hopeless or incurable physical illness’? Ik veronderstel dat daarover van mening kan worden verschild.
       Op mijn vraag of iemand van vijfenzeventig zou kunnen worden beschouwd als ‘hopelessly ill with age’ reageren ze niet. Ook hebben ze geen raad voor fysiek gezonde mensen die op een waardige manier aan hun leven een einde wensen te maken. Aangenomen mag worden dat een echte zelfmoordkliniek waar dan ook ter wereld niet voor vandaag is.



Met dank aan Professor Hugo Vanermen en de afdeling cardiologie van het Onze-Lieve-Vrouw-ziekenhuis van Aalst.