Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Spiegel, spiegel

Verschenen in: Een spier van goud


Soundtrack: Abattoir Blues / The Lyre of Orpheus – Nick Cave & The Bad Seeds
Film: Stalker – Andrei Tarkovski



Zaterdag 19 augustus

Landing uneventful, zo goed als op tijd. Pulkovo-1 in daglicht, hooguit een vage herinneraar: donker, sneeuw, Leningrad achttien jaar geleden. Alleen het blokkige van het gebouw, als wij dat willen. Plaatsafhankelijke wederoproepingen. De ziel met zijn 21 gram vergeet niets, geraakt soms overwoekerd, maar Hier & Nu. De tijd en plaats razen door het labyrint, belichten het grillige pad door wilde gewassen van de tussentijd. Meisje: te korte minirok (jeans), te dunne benen. Naast haar een bezitterige vijftiger, die haar moeder zou kunnen zijn, of haar meesteres. De een gaat zitten, de ander staat. Ze wisselen van post, wachten op iemand (interesse?). Niemand daagt op, ze vertrekken. De transfer voor de ECVP-deelnemers staat klaar. 29th European Conference on Visual Perception, in Sint-Petersburg: een kleine duizend papers.

Arriveren, of binnenkomen in een boek waarvan je meteen weet dat het speciaal voor jou geschreven is: bestaat liefde op het eerste gezicht? Geen schok der herkenning (H.A. Gomperts) of van het telaat (J.H. de Roder), maar een plots opwellend, haast fysiek verlangen om een boek met huid en haar op te vreten, een onstelpbare hunkering naar een totale eerste kennismaking, die het midden houdt tussen woede en wellust. De terreur van het niet-snel-genoeg, het allegro con fuoco van alle kleren in één keer uit. Jaren geleden al (blijkt achteraf) werd de uitbraak van deze vurige begeerte voorbereid, beetje bij beetje, unbeknownst to yourself, zoals je jezelf bij het voortschrijden van de tijd, van dit moment, meent te kennen. Op de achtergrond van je geest werken een bezoek aan Leningrad in 1988, het vinden van de dikke Rothenberg & JorisVolume Two) in 2002. Twee jaar later neem je de naam Arkadii Dragomoshchenko voor het eerst in volle bewustzijn op, gekoppeld aan die van Lyn Hejinian. Je vindt een pdf-file, ‘From Phosphor’, geschreven door de ene, vertaald door de andere. De eerste zinnen slaan je meteen knock-out: ‘Habits of mind result from a redistribution of the places on which the eyes fall. Yes, I’m probably right about this.’ Dit is te dicht bij huis, je gedachten ontsporen, je kunt niet verder lezen. Het klinkt als de samenvatting van je eerste wetenschappelijke paper, ‘habits of mind’, ‘redistribution’, ‘places on which the eyes fall’. Hoe komt die Rus daar zomaar op? En meteen dat dubbelhartige, iets hardop zeggen, naar jezelf luisteren, nagaan of je het eens bent met jezelf, ‘Yes, I’m probably right about this’. De incubatietijd zit erop, laat de ziekte maar komen.

        Speech (taught by itself) seeks the Other as a limitation that allows its return
       (representation of the circle it describes often preconditions the thought
       of wholeness), but since it never happens, speech becomes the weightless
       execution by correspondences of all through which it passes, shifting along
       the endlessly increasing distance, despite the abundance of omens and signs,
       the number of which would appear to be a guarantee of its authenticity. Excellent.

            Wait though. What was I just talking about?
       Arkadii Dragomoshchenko, Chinese Sun, p. 65-66.


Een uitnodiging voor een congres in Sint-Petersburg brengt het balletje aan het rollen. Een kennis van een kennis spreekt de grote postmodernist aan, en via via krijgen we zijn e-mailadres te pakken en de roman Chinese Sun, Dragomoshchenko’s magnum opus (digitaal, in het Engels vertaald). Maar durven we te lezen? Een afspraak maken is makkelijker, bel hem maar op wanneer je ter plekke aankomt. Nu moet je wel dringend gaan lezen. Drie weken voor je vertrek herinner je jezelf eraan, schrijvend naar Dragomoshchenko, liegend, het boek lovend: ‘I won’t spend too much time on it here (I hope to talk at length in St. Petersburg!), but I’m absolutely blown away by the book. Sentences that wrap themselves like a giant python around my mind. A very powerful experience.’ Of niet liegend, je weet dat het waar is wat er staat. Je neemt alleen een voorschot op de toekomst, over wanneer je het boek gelezen zult hebben. Vooralsnog zit je vast. Het bruusk opgeflakkerde verlangen om je helemaal door het boek te laten overspoelen kreeg na lectuur van de eerste twintig bladzijden te kampen met een al even abrupt ontstane verlamming, een acute inertie, niet ten aanzien van het boek, maar ten aanzien van de omgeving, de wereld rondom het boek. Een gevoelen van onvrede met hoe, waar, wanneer, de ongeschiktheid van de omstandigheden. Je bent er niet klaar voor. Je hebt een hele dag nodig om amper één zin te verwerken. En het boek is ruim driehonderd bladzijden lang, kleine bladzijdetjes, dat wel (zevenentwintig regels, een vijftigtal tekens per regel), maar hoe speel je dat ooit klaar? Of brengt de Verplichting je in deze staat van lethargie? Is het het mes van de valbijldatum that turns you off? Ook het lezen vanaf het scherm werkt niet bevorderlijk, je moet een papieren versie te pakken zien te krijgen. (Printjes doen het boek natuurlijk volstrekt geen recht, dat spreekt.) Of is dit probleem toch te wijten aan het boek? ‘Speech […] seeks the Other as a limitation that allows its return’: de schrijver zegt toevallig iets, en heeft de lezer nodig om iets terug te krijgen, een beperking, een selectie, iets wat de moeite waard is, maar dat gebeurt nooit, ‘speech becomes the weightless execution by correspondences of all through which it passes’. Gewichtloze uitvoering? Of terechtstelling? Wat is de functie van de lezer? De schrijver schrijft een onleesbaar boek, de lezer zal afknappen.

Hotel Sankt-Peterburg: gebouwd door de sovjet. Zeggen we vriendelijk ‘dag’ aan Bob Wurtz, Amerikaan, apenfolteraar, gelukkig in een ander hotel. Zijn vrouw weet van niks, wil morgen samen naar de Hermitage. Aan de andere oever ligt cruiser Aurora voor anker, auteur van een welgemikt kanonschot in oktober (november?) 1917. Halen we papieren boven. Het artiestenbureau, oranje T-shirts, twee albinoachtige blondines. Aanzienlijke borsten in your face. Naam gevonden, doorgestreept, de receptie mag benaderd. Zou het dezelfde kamer kunnen zijn? Lits-jumeaux, achter elkaar tegen de wand in een kamer, een kubus, een doorgang. Het behangpapier nog communistisch. De wc disinfected, inderdaad, zoals in 1988. Douche werkt, warm (bruin) water dat nog wegloopt ook. Niet sarcastisch zullen we zijn, maar vriendelijk, bescheiden. CNN een van de elf kanalen. Meteen Arkadii opbellen?

Maar wat ís de functie van de lezer voor de schrijver? Een al te essentialistische vraag? Een vraag voor later op de avond? Of een vraag in wezen – een wezen dat worden is? Dat mag. Wel kun je verschillende antwoorden verwachten. Chinese Sun heeft iets van een dagboek. Drie genres ineen: poëzie, essayistiek en proza. We lezen over de lotgevallen van Dikikh, Fr. Lob (de frontale lob?) en Dragomoshchenko zelf, maar evengoed over Wittgenstein, of over de FBI die de sekte van David Koresh uitmoordt (het Russische origineel verscheen in 1997). Een dagboekessay of een notitieboekverhaal: gepolijst, maar even gebruiksonvriendelijk als het hyperidiosyncratische schrift dat de schrijver (volgens de gemeenplaats een tienermeisje) angstvallig onder zijn hoofdkussen verborgen houdt. Voor wie schrijft het tienermeisje? Voor zichzelf? Acting out on paper. Autotherapeutisch? Een snugger hamstertje, een pientere merel, geboren met het instinct om te leren: uit de banaalste ervaringen weet zij nog stichtende lessen te trekken – altijd en overal. Genietend van de woorden, de secret ninja code, een textum, een betekenissenweb dat zich alsmaar verder uitstrekt. De spanning van het geheim? De sensatie van het verborgene, het verbodene, met de intrinsieke belofte van drama, ontdekking, schandelijke inbreuk (de al te nieuwsgierige moeder, de sadistische, één jaar jongere broer)? Misschien huist er in Arkadii Dragomoshchenko inderdaad een vroegoud, veel te geleerd dertienjarig meisje dat zich hardnekkig een eigen ruimte wil schrijven, een niemandsland waarin zij, nochtans een schoothondje, zachtjes kermend als in de schoot van een dikke dame (het universum?) kan verdwijnen. Zen eerder dan Thanatos.


Zondag 20 augustus

Eerste telefoon (home): bericht op het apparaat. Tweede telefoon (mobile): hij is vriendelijk, herinnert zich onze e-mail. Kan hij zondagmorgen gebeld worden, om precies af te spreken? Een lunch. Derde telefoon (mobile): ontwijkend, spreekt met dubbele tong (’s morgens!). Horen we verrast te wezen? Zondagmorgen na een zaterdagavond? Of we ’s avonds. Kan hij om drie uur gebeld worden? Vierde telefoon (mobile): Can’t reach. Vijfde telefoon (home): wife. Two hours after. Do you mean later? Yes, later. Zesde telefoon (mobile): Can’t reach. Zevende telefoon (home): Are you feeling OK? How do you like St. Petersburg? Hij zal om zeven uur naar de lobby komen. Zegt hij. Nuchter klinkend, opgewekt zoals gisteren.

Jacob Edmond, schrijver van de inleiding bij de Engelse vertaling van Chinese Sun mag vervloekt worden, en gelijk krijgen met zijn vergelijking (waarop we zelf hadden willen komen): ‘Chinese Sun often leaves rules behind altogether. Just as in the strange world of Andrei Tarkovski’s Stalker, the reader cannot rely on familiar signposts and conventions. Following the strange twists and turns of the text, he or she must go by touch in a dark landscape of language interspersed with flashes of light’ (p. X). Maar daar blijft Edmond steken. Een vluchtige verwijzing, een intuïtie wellicht, maar wat betekent het? Tarkovski, de oer-Rus, voor wie, net als voor Dostojevski, kunst een bevoorrechte weg was naar een mystieke waarheid, een vorm van religie eigenlijk, een superessentialisme. Terwijl Dragomoshchenko uit het andere kamp komt, een deleuziaan, een nomadisch denker in termen van veelvoud, splitsingen, dynamics, group theory en concepten die voortdurend verschuiven. Het feit (of is het toch slechts een suggestie?) dat beide kunstenaars op vergelijkbaar terrein uitkomen mag gelden als bewijs voor het bestaan van attractors, of equilibria waar systemen naartoe neigen, punten van zwaartekracht die dingen en gebeurtenissen naar zich toe trekken, ongeacht vanwaar ze vertrekken, een geval van ‘morfische resonantie’ (Rupert Sheldrake) misschien, de wereldwijd rondzoemende kennis waardoor bijvoorbeeld zowel Gutenberg als Coster zich de uitvinder van de boekdrukkunst mag noemen: ‘smelten samen nu / tot wereldwijd gevoel, globaal verstand’, om met Erik Spinoy te spreken. Tenminste, dat zou de interpretatie van een deleuziaan zijn. Hetzelfde feit (dezelfde suggestie) gold voor Tarkovski of Dostojevski als bewijs van God, Voorzienigheid, Design, of hoe bezeten nihilisten zijn, wanneer ze het tegendeel verkondigen van wat er in hen omgaat. In Tarkovski’s Stalker is het de taak van de stalker (beroepsbesluiper) om ‘de schrijver’ en ‘de wetenschapper’ doorheen een postapocalyptisch landschap (het verboden en zwaarbewaakte ‘the Zone’) te loodsen en veilig naar ‘the Room’ te leiden, een geheimzinnige ruimte (kamer) met onvoorstelbare macht. Wie ‘the Room’ betreedt, ziet zijn diepste wens in vervulling gaan. Stalker en Chinese Sun delen meer met elkaar dan enkel het achterlaten van regels en conventies, of het maken van bizarre sprongen. Ze vertellen hetzelfde verhaal. De stalker is de lezer, zonder wie de schrijver (fictie) en de wetenschapper (non-fictie) het doel van de tekst niet bereiken. De lezer brengt de schrijver in ‘the Zone’ – zo horen we (Jezus, Maria, Jozef) plots Britney Spears en Madonna, of the bifurcation van een blond idool met perfecte curves:

       Britney Spears [B] & Madonna [M]: We’re almost there.
       B: I’m feelin’ it bad and I can’t explain.
       B & M: My soul is bare.
       B: My hips are movin’ at a rapid pace.
       B & M: Baby feel it burn.
       B: From the tip of my toes, runnin’ through my veins.
       B & M: And now’s your turn.
       B: Let me see what you got, don’t hesitate. I’m up against the speaker, tryin’
       to take on the music. It’s like a competition, me against the beat. I wanna
       get in a zone, I wanna get in a zone. If you really wanna battle, saddle up
       and get your rhythm. Tryin’ to hit it, chic-a-taa. In a minute I’m a take a you
       on, I’m a take a you on. Hey, hey, hey.
       Britney Spears (featuring Madonna), ‘Me Against The Music’, In the Zone. Jive, Sony
       BMG, 2003.


De lezer, lijdend aan een jetlag, voorlopig een eind uit ‘the Zone’, zet de tv uit, slaat alsnog een boek open. Dan niet Chinese Sun, maar iets van Coetzee, altijd aanlokkelijk, uitnodigend, elegant, eminently readable, kalmerend (hypnotiserend?) en vaak ook echt van toepassing, zoals tijdens een slapeloze nacht in Sint-Petersburg.

        What is it that frightens you, Councillor Maximov? When you read about
       Karamzin or Karamzov or whatever his name is, when Karamzin’s skull is
       cracked open like an egg, what is the truth: do you suffer with him, or do
       you secretly exult behind the arm that swings the axe? You don’t answer?
       Let me tell you then: reading is being the arm and being the axe and being
       the skull; reading is giving yourself up, not holding yourself at a distance
       and jeering.

     J.M. Coetzee, The Master of Petersburg, p. 47.

De Peterburgse meester heet Fjodor Dostojevski, en de geciteerde tirade legde Coetzee in de mond van de getergde romanschrijver. Coetzee schildert een haast kafkaiaanse scène waarin Fyodor worstelt met Councillor Maximov, de bureaucraat van dienst, exponent van de apparatsjiks, die de vermoedelijke zelfmoord van Fyodors stiefzoon onderzoekt. Fyodor wil de nagelaten papieren van zijn stiefzoon meteen mee naar huis nemen, maar Councillor Maximov geeft ze liever niet prijs. In de eerste plaats natuurlijk vanwege de vermeende subversiviteit van de dode jongeman. Maar ook de schaduw van Fyodors eigen (prereligieus-fundamentalistische) verleden maakt dat Councillor Maximov de paperassen van de stiefzoon grondig en vooral ook traag wil onderzoeken: ooit werd Fyodor ter dood veroordeeld en op dramatische wijze net niet terechtgesteld voor zijn (minieme) rol bij een in de kiem gesmoorde revolutie, pro tsaar, maar contra de kaste van magistraten en landeigenaars. Wanneer Fyodor het administratieve spelletje beu is, verwijt hij Councillor Maximov een gebrekkige leesvaardigheid. De bureaucraat zoekt naar te simpele antwoorden, hij probeert partij te kiezen. Het door de stiefzoon geschreven verhaaltje over de moord op een landeigenaar leest Councillor Maximov louter om te weten te komen wie het recht aan zijn kant heeft – ‘do you suffer with him’ (Karamzin, de aangevallen landeigenaar) of ‘do you secretly exult behind the arm that swings the axe’. Councillor Maximov lijdt, zo luidt de beschuldiging, aan ‘decisionisme’, aan ‘oordeelvellerigheid’. Fyodor spelt hem de les: lezen is je onvoorwaardelijk overgeven aan de veelheid der dingen, de eigen empathie zover mogelijk oprekken. Tegelijkertijd scharmaai je met een bijl en incasseer je de schedelsplijtende houw. Je vertolkt de dubbelrol van dader en slachtoffer, je bent zowel moordenaar als vermoorde. Lacan spreekt in dit verband van ‘het imaginaire’, Julia Kristeva van ‘het semiotische’: wie geconcentreerd in de spiegel kijkt ziet na verloop van tijd een januskop verschijnen. Het schizoïde onderscheid tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde verdwijnt, het engeltje op de linkerschouder tooit zich met de hoorns van het duiveltje op de rechterschouder dat zich op zijn beurt vleugels laat opspelden. Evenzogoed zouden we kunnen wijzen op de striphelden die het dubbele in zich verenigen, die letterlijk samenvallen met hun superieure alter ego’s: de journalist Clark Kent en de Man van Staal Superman, de miljonair Bruce Wayne en caped crusader Batman, en de nerd Peter Benjamin Parker en wall crawler Spiderman, om er drie te noemen. De dingen verdubbelen, en krijgen een verlenging die blijft duren. Er ontstaat een literaire ruimte die zich kant tegen te simpele antwoorden, die de ‘oordeelvellerigheid’ uit hooghartige schaamte de rug toekeert.

Exact op tijd. Een kaal mannetje, veel rimpels, grote bril. Zijn vrouw is erbij. Zina, even oud als hij, misschien, maar beter bewaard. Groene ogen heeft ze, een warme blik die recht naar je binnenste kijkt. Een dierbare ander, als Arkadii dat maar weet. You must know, there is a problem. No money. We hebben een beurs, melden we, een neutrale oplossing. Een of ander wetenschappelijk fonds: no worries. Rode wijn in een fles van pvc, in een plastic zakje. Let’s drink, alledrie, speeksel in de wijn: no worries, proteïnen kennen geen lichaamsgrenzen. Bus, Nevski Prospekt, zigzaggen door een winkelcentrum. Daar neergeplant in 2003, voor de driehonderdste verjaardag (Arkadii gidst). In Dom Aktera zullen we eten, de bistro van de opera, tijdens een opvoering. We hebben de zaal voor ons alleen. De ramen open, zacht licht van een langzaam ondergaande zon. Een briesje. This is nice, don’t you think? Zina vertelt van de wespensteek in zijn voetzool, zijn excuus om te drinken vanmorgen.

Als de schrijver een literaire ruimte schept die door verdubbelingen en verlengingen betekenisuitbreiding sorteert, dan lijkt dit op het eerste gezicht een activiteit die zich exclusief in de eigen zolderkamer kan voltrekken – Maurice Blanchot beweerde in L’espace littéraire zelfs dat la solitude essentiellela solitude essentielle verwerft. Coauteurschap van de lezer – want waarom vertellen we zo graag aan anderen welke teksten we goed vinden? Waarom willen we zo nodig leestips geven? Voelen we ons niet een beetje deelachtig (medeplichtig?) aan de tekst die we met plezier gelezen hebben? Het zou bijvoorbeeld kunnen verklaren waarom wij hier en nu menen Arkadii Dragomoshchenko te moeten voorstellen aan de Nederlandstalige leesgemeente.


Maandag 21 augustus


Gisteren was een goede dag, het Dostojevskimuseum, in dezelfde straat een overdekte fruit- en groentemarkt, waar de locals hun inkopen doen. Wij ook druiven. Zoete aanmoediging op de lange brug over de Neva. Onder hete (Chinese?) zon. En de maaltijd in Dom Aktera. Wodka. Let’s write a book together, zei hij, you and me in our broken English. En Zina: schrijf op, schrijf toch op, toen hij iets sibillijns. Die vrouw bestaat. Heb je een notitieboek bij je? Goedgekeurde foto’s van vijfjarige dochter, acht weken oude baby. Snake & eye. Scales. Reflection, pijltje, as it is. We zijn het verhaal kwijt. Hebben het ticketje nog, nummer 491811. De bus terug. Vandaag moet een brave dag worden. Compleet conform de projectaanvraag voor de nu zienderogen slinkende beurs. Op het congres is er gratis koffie. Koekjes ook, al zijn die vermoedelijk niet geheel koosjer (boter). We heten boeddhist.

Zich laten lezen – niet enkel om zomaar wat te communiceren, maar om territorium op te eisen, copyright te claimen, gedachtegoed. ‘Dit ben ik.’ ‘Die gedachte komt van mij.’ ‘Je mag ze citeren, maar vergeet niet mijn naam te vermelden!’ De eigen selfhood poneren, is dit alles misschien eenvoudigweg een kwestie van macht verwerven? Proberen de sterkste te zijn in het bij uitstek menselijke domein van het culturele verkeer? Survival of the fittest meme, en de naam van de auteur van de meme als een extra meme op de meme geplakt. Hier moeten wij minstens Pierre Bourdieu noemen, de maître à penser die ons de inmiddels overbekende veldtheorie schonk, de deels onbewuste strijd om de schaarse middelen op het slagveld van ons verlangen naar macht en status. Wie zich wil invechten, kan maar beter voldoende klassiek weberiaans kapitaal (geld, kennis, vriendjes) meebrengen, zeker als je voortkomt uit een lagere sociale klasse (het dubbeltje), hoe meritocratisch en cultureel omnivoor onze samenleving zich ook moge voordoen. De welhaast intuïtieve veronderstelling dat het veld van de kunst niet of nauwelijks overlap vertoont met bijvoorbeeld dat van de politiek of dat van de wetenschap omdat er zogezegd meer verheven, misschien zelfs wel waardevrije spelregels zouden gelden, kan onherroepelijk de prullenbak in. De habitus van een schrijver stoelt op macht en de eindeloze honger daarnaar, net als de habitus van les nouveaux maîtres du monde, de bovenbazen van multinationals en mediaconcerns: literatuur is evengoed een vechtsport, met alle oedipale revoltes en koningsdrama’s van dien. Maar wellicht dat we ‘the Zone’ als machtsvrije ruimte mogen betreden, als het nirwana waar we, letterlijk verheven en buiten de culturele hegemonie om, het sublieme kunnen vinden, ongeveer zoals Longinus dat in de eerste helft van de eerste eeuw beschreef:

        Weet je, dierbare vriend, het is met literatuur als met het gewone leven.
       Niets is werkelijk groot: rijkdom bijvoorbeeld, eerbewijzen, reputaties, machtsposities
       en al het andere dat eigenlijk één grote vertoning kan worden genoemd. Al
       die dingen zullen in de ogen van een wijs man niet uitzonderlijk waardevol
       zijn, want juist het geringschatten ervan is van bijzondere betekenis. Veel
       meer dan voor mensen die zulke dingen bereiken, heeft men respect voor
       degenen die ze wél kunnen bereiken maar uit grootheid van geest versmaden.
       Zo is het eigenlijk ook met het sublieme in poëzie en proza: ook daar moeten
       we nagaan of we misschien niet te maken hebben met een vertoon van indrukwekkendheid,
       waar veel aan vast zit dat er voor de gelegenheid maar bij verzonnen is en,
       nader beschouwd, gewoon zonder inhoud blijkt te zijn. En dit verdient eerder
       minachting dan bewondering. Want onze ziel verheft zich, onwillekeurig,
       door wat werkelijk subliem is. Ze neemt een hoge vlucht en wordt van vreugde
       vervuld, vreugde en trots, alsof ze wat ze hoorde zelf heeft gemaakt.
        Longinus, Het sublieme, p. 29.


En met die laatste regel keren we weer terug naar de lezer, onze eeuwige trawant, de partner in crime van wie wij nooit zouden willen scheiden, omdat we zonder hem niet zouden bestaan, of juister: niet zouden kunnen bestaan, of nog: niet zouden willen bestaan. Wie anders zou ons kunnen waarschuwen, dat we ziek zijn, bezeten, balanceren op het randje van de afgrond? Wie weze toetssteen der werkelijkheid? Laat zelfs de saaiste lezer, met beide voeten op vaste grond, ons de hand toereiken, een spiegel voorhouden, voor krankzinnigheid behoeden.

        You are a very clever man, Fyodor Mikhailovich. But you speak of reading
       as though it were demon-possession. Measured by that standard I fear I
       am a very poor reader indeed, dull and earthbound. Yet I wonder whether,
       at this moment, you are not in a fever. If you could see yourself in a mirror
       I am sure you would understand what I mean.
       J.M. Coetzee, The Master of Petersburg, p. 47.


Ditmaal krijgt Councillor Maximov het woord, met zijn verdediging tegen Fyodors verwijt van gebrekkige leesvaardigheid. Fyodor is te wild, vindt hij. De romanschrijver gaat te ver. Wie alle gezichtspunten, alle zielen, alle stemmen in zich wil verenigen, moet wel hoorndol worden, gek, psychotisch, paranoïde. ‘If you could see yourself in a mirror …’ De spiegel mag dienen als het instrument van de ontnuchtering, als visual aid om zichzelf te begrijpen, door een blik op zichzelf zoals gezien door de ander. Councillor Maximov raadt Fyodor daarmee in feite de lectuur van zijn leeswoede aan. Als de lezer wat te overijverig aan het lezen slaat, dan kan een blik in de spiegel – op zich ook een vorm van lezen – uitkomst bieden, of beter, ontsnapping aan de gekmakende veelheid van door de lezing bezielde dingen. De spiegel (de blik van de ander) werkt als selectieprocedure, als redacteur van de tekst. De lezer brengt de schrijver in ‘the Zone’ van de goede tekst door die tekst ongenadig (zonder persoonlijke gehechtheid of sentimentaliteit) als voorwerp te behandelen, te objectiveren, en aldus la solitude essentielle te gunnen, waarin de pukkels en rimpels nietsverhullend licht vangen. Waar tekstuele oneffenheden niet met cosmetica gecamoufleerd kunnen worden, daar grijpt de plastisch chirurg in – alles wat er niet toe doet, fout lijkt, onbegrijpelijk is, verward of flauw, komt voor behandeling in aanmerking.

Veelheid en selectie, Fyodor en Councillor Maximov, schrijver en lezer, blijkbaar is er een wisselwerking nodig. Een zekere dialectiek in de ontwikkeling van een verhaal of een tekst – net een procedé dat misschien wel het kenmerkendst mag heten voor Dostojevski (de echte, niet het door verdriet overmande personage in The Master of Petersburg), en die ook Coetzee niet onbekend is, getuige die mooie bladzijde 47, waaruit we twee keer citeerden.

De zwanenzang van Bob Wurtz. Opnieuw het verhaal over de corollary discharge. De oogbeweging zoals die virtueel gevolgd wordt, niet alleen in de oculomotor structures maar vooral ook in de rest van het brein. Zich een stabiel beeld vormen van de omgeving. Houten trappen, houten bankjes. Zielig toch, amper een paar dozijn nerds in een antiek auditorium, op een tweederangs congres. Wat schrijven we naar huis? Nergens graffiti op het zo makkelijk te bekrassen hout. De military medical academy: geen tijd voor art terrorists, voor Banksy. Stof dwarrelt. Muffe geur zet zich vast in je neus. Bob, emeritus, komt hiervoor all the way van Washington, D.C. En wij? Hebben we recht van spreken met een hidden agenda? Niet minder belachelijk. En ja, laat ons lachen. Korte, elkaar snel opvolgende ademschokjes. Welwillend applaudisseren voor het afgelopen praatje.

Schrijven schrijvers omdat ze niets anders kunnen? ‘De dichter lijdt aan een dwangneurose’, lazen wij ooit eens in het boek Stem en tegenstem, maar zo’n diagnose zou te gemakkelijk zijn, en vanwege zijn retorische impertinentie ook betrekkelijk onbeleefd; bovendien debiteren we met die ‘oplossing’ een cliché van de hoogste orde, wat overigens niet tegen de zaak hoeft te pleiten. Vanwege een innerlijke noodzaak dan, de existentiële drijfveer om publiekelijk te Zijn, in de kennelijke veronderstelling dat hoe meer mensen je lezen, hoe meer je bestaat? Of wil de schrijver zijn postume levensdagen verlengen tot het einde der tijden, om zo blijvend te kunnen verpozen in het licht der eeuwigheid? Het kan allemaal, en het kan allemaal tegelijkertijd. Maar in de kern is er, denken we, iets anders aan de hand. Ondanks hun allerindividueelste emoties schrijven schrijvers vanuit een diepgeworteld sociaal instinct opgenomen te worden door de Groep, een al dan niet nader gedefinieerd collectief dat voedsel en onderdak biedt en beschermt tegen rivaliserende wolven: de anderen. Die anderen, dat zijn natuurlijk in eerste instantie andere schrijvers, maar een tweede, misschien nog wel geduchtere bent kunnen wij identificeren als de recensenten; de persstemmen die middels hun sirenengezang de rangorde in de Groep, doorgaans van buitenaf maar vaak ook van binnenuit, behoorlijk kunnen beïnvloeden. In de discipline geschoolde uitgevers houden hun auteurs altijd voor niet te reageren op negatieve recensies, en de oren met bijenwas dicht te stoppen. Huilen doe je in het donker of desnoods in de stamkroeg waar je vrienden je op de schouder slaan en troostbier voor je bestellen, maar nimmer in kranten, tijdschriften, op weblogs of op welke andere openbare plaats dan ook. Zo’n spreekverbod resoneert natuurlijk niet voor niets. In de eerste plaats wil de uitgever het lijdend voorwerp behoeden voor een nóg grotere publieke afgang: iedereen zal de repliek van de auteur toch voornamelijk opvatten als een ontboezeming van kleinzerigheid, als het gênante, ongrammaticale gepiep van Calimero: ‘Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk’. Maar fundamenteler en serieuzer dunkt ons de volgende reden: wie van leer trekt tegen zijn critici, die vijandige pedagogen, begaat niets anders dan een halsmisdaad tegen het eigen werk: het boek waarvoor de getergde zo zegt op te komen krijgt integendeel en plein public een slabbetje omgebonden en een vinger op de lippen gedrukt, als een onmondig kind dat hoognodig verbale bijstand behoeft. De schrijver laat daarmee slechts zien dat hij weinig geloof hecht aan de eigen eloquentie van het werk, en de retorische weerbaarheid ervan ten diepste wantrouwt. (Ligt in de drift van het scheppen tegelijkertijd ook de drang tot vernietigen besloten?) Tot slot schuilt ook in het al eerder gememoreerde eeuwigheidsverlangen een motief om de zwijgzaamheid te verkiezen boven het publieke debat: door in het openbaar te reageren op een recensie krijgt de criticus van dienst een vrijkaartje eeuwigheid aangereikt, zoals Harry Mulisch terecht eens stelde, waarmee de toch al getourmenteerde schrijver voor een derde maal in zijn eigen mes loopt.


Dinsdag 22 augustus


Zo is het dus, een dagboek te hebben. Arkadii komt in de namiddag naar de lobby, eerste herhaling van een gedragspatroon. Schrijver herkent lezer. We trekken in afwachting onze fake nikes aan, er moet nog een paar uur gelopen. Een ongenadig parcours: het fort van Peter en Paul, het Vasilevski-eiland, langs de Kunstkammer, de Dvortsovybrug over. Trailing behind een blondine op hoge hakken, bleekgroene jurk, sjabloon van kasjmier. Net genoeg te zien van de benen, shapely, die prikkelen all right. Exogene controle van aandacht. Visuele overmacht. De brede, wiebelige heupen die zwemmen in de jurk, het zweven, soms het flapperen van de fabric. Zij is geen tiener meer. We volgen niet, en weten we dat wel? Langs de oneindige Admiralty, in de schaduw, ondraaglijke minuten lang. Afslag naar Peter de Grote, te paard.

Laten we onze blik omhoogrichten en kijken naar de Chinese Zon. Al snel ontvouwt zich een dialoog: ‘De zon schijnt mooi / Ja, de zon schijnt mooi / De zon schijnt mooi / Ja, de zon schijnt mooi / Ja, de zon schijnt mooi / Ja ja, de zon schijnt mooi’ (Arjen Duinker). Dit meteorologische praatje zou zomaar eens kunnen opklinken in de Groep. Twee stemmen die om elkaar heen draaien, elkaar in hun bestaan proberen te bevestigen, het zonlicht samen willen delen. Want natuurlijk impliceert het lidmaatschap van de Groep meer dan alleen voedsel, onderdak en protectie tegen de wolven, het betekent óók toegang tot fertiele partners die ons genetisch voortbestaan voor de duur van in ieder geval een mensenleven kunnen garanderen. Hierover hoeven we niet na te denken, niet te peinzen alsof we een strategische operatie uitbroeden, ons instinct mag de besturing overnemen en ons leiden in de zoetste lokstoffen, de sex attractants
die ons als insecten lijken te omringen. Graag laten we de controle aan de driften die ons zullen voortdrijven op het moment dat het verstand uitvalt. We mogen vertrouwen op het oeraggregaat dat zoemend zal opgloeien wanneer alle lichten tegelijkertijd uitgaan. Dat geloven we. Maar hoe komen we hier eigenlijk op? Het ligt natuurlijk aan Naklonivhsajasa die zich exhibitionistisch aan ons bekent, en de voyeur in ons wakker schudt: ‘je oor is open ogen open ogen’ (Kees Ouwens). Het geluid verstomt, en het zicht neemt het over, oog om oog, zien en gezien worden. Wij weten dat ze weet dat wij haar bekijken en ook dat ze dat beseft en daaraan haar wederkerig genoegen beleeft: de nevenschikking van ‘phanische en scopische begeerten’ (Stefan Beyst), de dubbele blindheid waarmee toner en kijker zich gretig slaan. Het zicht immers ontzegt beide partijen de toegang tot de tactiele en genitale werkelijkheid: kijken doe je met je ogen. Wat zien we? Haar houding schijnt een pose, een bestudeerd verleidingsstandje, haar bewegingen (zoals ze het riet wegduwt, met beide handen tegelijk!) zijn te gestileerd om nog spontaan te lijken. Ze baant zich een weg naar ons verlangen om ons een spiegel voor te houden waarin we de blik van de ander ontwaren die we zelf zijn: de dader van onze driften. Nogmaals Ouwens, tot besluit: ‘in de spiegel zijn eigen, zijn ander, / het nabij hem en het elders, / door elkaar heen schemeren in zijn pupillen’.

       Every morning the same bright sun rises; every morning there is a rainbow
       on the waterfall; every evening the highest snowcapped mountain, far, far
       away, on the very edge of the sky, shows with a purple flame; every ‘tiny
       gnat’ buzzing around him in the hot sunshine plays its part in that chorus:
       it knows its place, it loves it and is happy; every blade of grass grows and
       is happy! Everything has its path, and everything knows its path; it departs
       with a song and it comes back with a song; only he knows nothing, understands
       nothing, neither men nor sounds, a stranger to everything and an outcast.
       Fjodor Dostojevski, The Idiot, p. 462.


Schrijven is een verschijningsvorm van Eros, weten we van Roland Barthes. In zijn encyclopedie van de gevoelscultuur, Uit de taal van een verliefde (2002), staat het ons haarfijn uitgelegd. Bijvoorbeeld onder het lemma ‘Voorvallen, obstakels, ergernissen’ waar wij kunnen lezen dat ons amoureuze bestaan zich vooral kenmerkt door bijkomstigheden als ‘[t]rivialiteiten, incidenten, obstakels, onbeduidendheden, kleingeestigheden, futiliteiten en wederwaardigheden’. Evident is dat de degradatie van het verliefde subject van au gaat. Het lijkt daarom zinvol ons verstand andermaal te gaan gebruiken, en de ratio zo spoedig mogelijk bij bewustzijn te brengen. Is de mens een dier dat kan denken, schuilt onze uniciteit inderdaad in de cognitie, zoals de Antieken beweerden? Die vraag beantwoorden we volmondig met ja. Om haar laten wij geen traan meer.

Inertia, daar blijft zijn plaat op hangen. We zitten op een terras, espresso drinkend, Arkadii bloednuchter, in een straat parallel met Nevski Prospekt. Sigaret uit, sigaret aan, hij zo goed als wij. Hoe zinnen naar hun punt gezogen worden. Black hole, maximale aantrekkingskracht. Woorden die opspringen in de ruimtes tussen woorden. Hij is in vorm. Prosodie, en macht. Iets over prosodie en macht. Zina is thuisgebleven: aan Arkadii en de stalker hun geschrijf. We grijnzen alweer. Zijn knieën bloot, digitale camera in de aanslag, impromptuliteratuur. Waar is de md-recorder nu we hem nodig hebben? Naar Liteini Prospekt, underground, een kelder waar hij beroemd is. Foto’s aan de muur. Chinese Sun verkrijgbaar (alleen in het Engels), en pirate dvd’s, alles van Pasolini. Eén exemplaar van zijn boek wordt gratis aangeboden (in ruil voor twee flesjes bier). Lege maag. We geraken snel beneveld.

Misschien maakten we het onszelf te gemakkelijk door Eros zo te koppelen aan kennis, om daarmee zogezegd de uniciteit van de mens aan te tonen. Want over wat voor mensen hebben we het? Over zielige mensen? Domme mensen? Schrijvers? Lezers? Voerden we een gevecht met de eigen schaduw?

        During the day, a mirror propped against the wall by the door diminishes
       me and my time. At night, it leaves its simple tricks and breathes in barely
       trembling clouds caught by moonlight in the stillness: ‘Several lives go on
       inside me, but there’s no place for me in any of them. I think you know this
       feeling well. I think everyone knows it.’ On careful observation, as if penetrating
       the film of the eyelids, mirrors lagged by the smallest fraction of anticipation,
       showing that the matrix of shadows had the nature of liquid crystal.
       Arkadii Dragomoshchenko, Chinese Sun, p. 59.


Andermaal kijken we in de spiegel. Het lijkt erop dat we niet aan onszelf kunnen (mogen?) ontsnappen. Gelukkig bestaan er wezens met moederinstinct (door de band genomen: vrouwen) om ons bij te staan. Ze zweven een beetje, hun voeten die de grond net niet lijken te raken. Goed als ze zijn lezen ze geen boeken, maar leggen ze zich volledig toe op de verzorging van de bezweken man die, héél zacht, nog een laatste liedje kan neuriën: ‘Alsof het geschreven is / door wie niet kan schrijven, / maar de woorden een voor een zegt / aan iemand ver weg’ (Nachoem M. Wijnberg). Of nee: ‘Als ik niet kan bewegen, / omdat ik ben aan de rand / van waar ik niet wil blijven, / wat ik mij herinner / omdat het teveel is om op te maken’ (idem).


Woensdag 23 augustus

Praatje om drie. Auditorium A, een oude filmzaal, zij het van recentere makelij dan die waar Bob. Naamkaartje van de Japanse convenor: dank u wel, stilte, omkijken. Minder volk nog dan maandag. Twee dozijn nerds, welgeteld, of ruim geschat. Wat doen wij hier? Tails of the Absurd. Sisyfusarbeid, het systeem draait zolang er eikels als deze zijn die a theory of neural control menen te moeten voorstellen that accounts for the relationship, enzovoorts. Endogenous factors (goals, beliefs, expectations) and behavioural performance in visual tasks. Is zij baisable? De dame aan de laptop. Arkadii wil onze theorie in een paragraaf of drie. De titel klinkt goed, maar een handvol regels verder heerst de techniek, the gain of sensory input, en een multiplicative scaling effect on the tuning curve of individual neurons. Scale & eye, welja, maar niet van het type. Ook andere glooiing en stemvork.

Waarom moet Orpheus, zanger en citerspeler uit Thracië, zoon van Calliope en Apollo of Oeager (daar willen wij vanaf zijn), zich er weer mee bemoeien? Het dunkt ons de zoveelste afsplitsing die zich heldhaftig wil spiegelen. Ook wij zouden afdalen naar de onderwereld om onze Eurydice (alias Naklonivhsajasa, alias Florence Nightingale) te redden uit de klauwen van Hades. Omkijken zullen we niet, we laten het na onszelf te identificeren met welke Griekse heros

       We have only to understand the mirror stage as an identification, in the
full
       sense that analysis gives to the term: namely, the transformation that takes
       place in the subject when he assumes an image […] This jubilant assumption
       […] would seem to exhibit in an exemplary situation the symbolic matrix
       in which the I is precipitated in a primordial form before it is objectified
       in the dialectic of identification with the other, and before language restores
       to it, in the universal, its function as subject.
       Jacques Lacan, Écrits, p. 2.


Ondertussen beseffen we óók dat we door een blik in de spiegel onze identiteit kunnen terugkrijgen: in de reflectie schuilt onszelf. Het is natuurlijk niet zomaar dat we onszelf vierentwintig uur per zouden kunnen fotograferen en filmen met onze gsm’s. Dixit het reclamebureau: ‘Ik ben Ben.’

       That a Gestalt should be capable of formative effects in the organism is attested
       by a piece of biological experimentation that is itself so alien to the idea of
       psychical causality that it cannot bring itself to formulate its results in these
       terms. It nevertheless recognizes that it is a necessary condition for the maturation
       of the gonad of the female pigeon that it should see another member of its
       species, of either sex; so sufficient in itself is the condition that the desired
       effect may be obtained merely by placing the individual within reach of the
       field of reflection of a mirror. […] Such facts are inscribed in an order of homeomorphic
       identification that would itself fall within the larger question of the meaning
       of beauty as both formative and erogenic.
       Jacques Lacan, Écrits, p. 3-4.


Het erogenische dan, ter introductie van het narcisme, dat wil zeggen, de ‘erotisch gerichte liefde voor zichzelf, voor de eigen schoonheid (door de psychoanalyse als een normale fase in de ontwikkeling van het jonge kind maar met betrekking tot de latere leeftijd als neurotisch beschouwd),’ aldus onze Van Dale die doorgaans adequaat definieert. De auto-erotiek dus, de eigenliefde, de jongeling Narcissus die door toedoen van de door hem versmade nimf Echo verliefd wordt op zijn eigen spiegelbeeld, zijn dubbelganger van water die zich niet laat strelen: ‘Ik heb mijn lichaam dubbel lief,’ verzucht Achterberg tot twee keer toe in zijn gedicht ‘Narcissus’: deze tweeledige verknochtheid valt niet te consumeren. Dat geeft ons de vraag in wat voor spiegel Narcissus precies gebruikt – het moet wellicht een ander type zijn dan dat van de al te nuchtere lezer, die de aandacht vestigt op pukkels en rimpels. Mogen we spreken van een ongewone spiegel? Volgens de definitie van Rainer Maria Rilke, in de tweede van de Duineser Elegien, ‘Spiegel: die die entströmte eigene Schönheit / wiederschöpfen zurück in das eigene Antlitz.’ De schreckliche engel, een narcist if ever I saw one, eist de van zich weggestraalde schoonheid terug op met een blik in de spiegel. Een alledaagsere Narcissus bekijkt zich van zijn mooiste zijde door de buik in te houden en de lippen op elkaar te duwen zodat de te lange voortanden onzichtbaar blijven. Wat zegt onze Encyclopedia of Unusual Sex Practices er zoal over:

       Narcissism is considered normal in the early development stages of youth,
       but not upon maturity. The types of activities in which a narcissist may
       engage include one or more of the following: kissing oneself, prolonged
       use of a mirror, excessive grooming, masturbation, collecting trophies and
       photo (often of own genitals), exhibition, homosexuality, and attraction
       to partners because of similarity to oneself. A few Narcissists have gone
       to even more extreme measures, such as being aroused by listening to their
       own stomach noises, passing gas, performing autofellatio, and drinking
       their own urine or semen
.
       Brenda Love, Encyclopedia of Unusual Sex Practices, p. 175-176


De gemiddelde Freudiaan zal smullen van dit lemma dat haast uit de voegen barst van hele en halve aberraties: schizofrenie, perversie, grootheidswaan en wat niet al. Maar we kunnen onszelf urenlange sofasessies besparen door te wijzen op Arthur Rimbauds befaamde uitspraak ‘Ik is een ander’, zoals we die tegenkomen in zijn onvermijdelijke Lettres du voyant. We citeren, ongetwijfeld ten overvloede, uit de zienersbrief aan Georges Izambard, de gewezen leraar retorica van het enfant terrible:

       Je veux être poète, et je travaille à me rendre voyant: vous ne comprendrez
       pas du tout, et je ne saurais presque vous expliquer. Il s’agit d’arriver à
       l’inconnu par le dérèglement de
tous les sens. Les souffrances sont énormes,
       mais il faut être fort, être né poète, et je me suis reconnu poète. Ce n’est pas
       du tout ma faute. C’est faux de dire: Je pense: on devrait dire: On me pense
       – Pardon du jeu de mots. – je est un autre.
       Arthur Rimbaud, Ik is een ander, p. 20.



En op die ander kun je verliefd worden. Maar we kunnen nog verder teruggaan, en de lapidaire opmerking uit onze seksencyclopedie over de neiging van Narcisten om evenredige partners te zoeken koppelen aan de Androgyn van Aristofanes: de fantoompijn van de verloren wederhelft die we alleen door onszelf te liefkozen kunnen bestrijden, iedere streling brengt de gedelete andere ik dichterbij.

Infants see ‘the Rotating Snake’ illusion, was bewezen geweest (onderzoekers van Shukutoku University). Zien wij het ook? Aansluiting bij een bende Leuvenaren en Nijmegenisten. Aan expertise ontbreekt het niet in de lage landen. In Zweden wonende Russische psychofysica wijst de weg. Waarover spreken tenzij over grants, tenure track jobs en de voordelen van ratten? Drie van de postdocs hebben een verticaal streepje haar van onderlip tot kin, finely cropped, te dandy om sikje te heten (een vrouwentreiteraar?). Oudere generatie houdt het op bakkebaarden. Facial hair en fixatie in de tijd. Echt Russisch restaurant: een reusachtig videoscherm. Daaronder zes uitgelaten dames en twee zwijgzame heren. De struise heet Evgeny, maar niet Pavlov, een zwaar oog op een van onze meisjes. Wij dansen met Natalya, dij tegen dij. Om elf uur wordt de party opgebroken. Blijven is out of the kwestie.     

Maar hoe houden we onszelf onder controle? Dionysus blaast de begeerte in. Wijndronken denken we aan de schitterende fresco's in de Villa dei Misteri in Pompeï, en dansen onze eigen Bacchantendans, in vol ornaat, zonder zelfs maar het bovenste knoopje los te maken. Eerder verscheurden we al een boek, dat van Arkadii, en dat hebben we geweten.


Donderdag 24 augustus

Zaad omtrent Natalya verdwijnt niet zonder moeite (schrobben) down the drain. De masturbant is zichzelf genoeg (Ouwens). Narcissus. Een circulair systeem. Vanwaar het schuldgevoel? Humbert Humbert monkelt. Lopen, lang lopen, kan doen verdoven. Wij: bezitter van goedgekeurde foto’s. Vijfjarige dochter, acht weken oude baby. In hoeverre idiosyncratisch? Kan een dagboek vervorkt worden? Wat ons overkomt, overkomt iemand, en dus iedereen (de menselijke conditie). Een van ons schrijft een e-mail naar de ander. Die bevestigt. Het meisje in het business centre kent de klant al, de opbeller van Arkadii. Vanavond de laatste keer, het laatste maal. Tot zolang Leuven, tandem, lopen we, het Russisch museum (Rublev, Filonov, niks daartussen) en een lange omweg naar Haymarket. Een bedelaar komt naast ons zitten, bloedt. Tot ziens, Johan (2x), tot de volgende ECVP.

‘God was a major player in heaven’, zingt Nick Cave in The Lyre Of Orpheus. Hier moeten wij dan ook verwijzen naar goden en godinnen, blinde natuurkrachten en moira. Radicale deterministen ontkennen de menselijke wilsvrijheid, en daarmee tegelijkertijd ook het filosofisch-ethisch begrip van persoonlijke schuld, die immers de persoonlijke vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid veronderstelt, een dwangbuis om in te bewegen; Clotho, Lachesis en Atropus mogen dan onze levensdraden spinnen, toewijzen en afbreken, als volmaakt schuldeloze marionetten bewegen wij mee, in afwachting van ons onvermijdelijk echec en het al even onvermijdelijke einde dat daarop volgt, het knappen van het touwtje. Laten wij dan ook maar meteen een reuzesprong wagen: de existentiële vrijheid (een jas waarin we plegen te verzuipen) promoveert de ledenpop tot absurde held, althans volgens Albert Camus’ De Mythe van Sisyphus; wij kunnen pleiten voor een archetypische drievuldigheid van de Rebel, de Kunstenaar en de Don Juan, ongeveer zoals in het befaamde openingsvers van ‘Drievoudig verbond’ geschreven door Gerrit Achterberg, de schuldige dichter: ‘Wat is dit een zoete verbintenis / u en de dood en ik. / Dat liefde er niets bij heeft ingeboet, / te geraken tot deze rust’. Dat Eros echter met een kwaad geweten kampt, lijkt de dichter niet zo te deren. Uit deze triniteit spreekt wellicht eerder een soort berusting, de kalme gelatenheid van iemand die zich heeft neergelegd bij zijn lot: hij geeft de touwtjes uit handen en laat zich onder curatele van de schikgodinnen stellen (alsof hij dat niet allang stond). Althans zo lijkt het. Want door de dood precies in het midden van de u en de ik te plaatsen pleegt de dichter wel degelijk een daad van verzet, een talige revolte: als een ware Orpheus daalt hij af in het dodenrijk om zijn gestorven geliefde op te halen: ‘De strenge grenzen van den dood / zijn overschreden zonder licht. // Ik heb gevoeld een vederlicht / weerstaan, dat in mij zonk als lood’, lezen we in Achterbergs gedicht ‘Orpheus’. Hij heeft gelijk. Wat kunnen we anders dan terugpraten, fluiten in het donker, de stilte in de zaal opheffen door een luide boer te laten, tot hilariteit van alle aanwezigen?

Iedere grote kunstenaar is per definitie ook een rebel in die zin dat hij zich, vanuit een fundamenteel tegendraadse  attitude (het humeur van de muiter), niet kan of wil conformeren aan bestaande structuren en sjablonen, biologische en natuurkundige wetten, de maatschappelijke mythen en systemen (de burgerlijke Norm, om met Barthes te spreken) zoals wij die dagelijks inademen; een balsturigheid die uiteraard minstens zo clichématig en triviaal is als de zo vermaledijde werkelijkheid van alledag: ‘Nu al de vuren zijn geblust, / gaan we over de zachte as / en denken wat geleden moest, / voor ieder tevreden was’, besluit Achterberg zijn ‘Drievoudig verbond’. Zo komen we er dus niet. Misschien moeten we met Arthur Schopenhauer de wereld als voorstelling beschouwen en tussen de mens ‘an sich’ en de vrije wil een isgelijkteken plaatsen, een klein magneetje dat het houdt. Kenmerk van de wil is volgens de Duitse filosoof de blinde levensdrift; ondanks het feit dat leven toch voornamelijk lijden betekent en het bestaan zo bezien tamelijk zinloos is, koestert men een onberedeneerde drang tot voortbestaan, zoals we kunnen lezen in het gedicht ‘Lijden’ van de hand van Mark Boog:

     Het goede nieuws:
       de lijdenskelk heeft geen bodem.
       Het drinkgelag,
       dat weliswaar zijn zin verloren heeft,
       kan doorgaan tot de kleinste uren.

       Geef de kelk door, de glanzende,
       die met het bruisende vocht!
       We delen alles, dat hebben we elkaar beloofd.
       Geen ochtend volgt die doet betreuren,
       dit duurt eindeloos, een feest zoals geen ander.
       Mark Boog, De encyclopedie van de grote woorden, p. 29.

                       
Gerard Reve ziet in de door God uitgevonden kater nog wel een oplossing voor de nutteloze slemppartij die het leven voorstelt: ‘Stel je voor, dat de kater niet bestond. / Dan was alles nog veel erger. / Dan zou je nooit een kater krijgen, / terwijl je die nu wel krijgt. / Het is dus toch wel goed zoals het is. Prijs God.’ Maar Schopenhauer verwerpt elke godsdienst als schijnoplossing, en wijst ons een andere weg uit de verlossing van het lijden: het opheffen van de eigen wil door de inzet van ons intellect, ons vermogen om na te denken en kunst te maken, gericht op de wereld van de ideeën, koersend naar planeet Plato, volledig los van het individuele.

        Unlike essences, which are always abstract and general entities, multiplicities
       are concrete universals. That is, concrete sets of attractors (realized as tendencies
       in physical processes) linked together by bifurcations (realized as abrupt
       transitions in the tendencies of physical processes).
       Manuel Delanda, Intensive Science and Virtual Philosophy, p. 21


Wat is essentieel voor de romantiek waartoe we ons bekennen? We zetten de ratio weer uit en vieren, voor even, de triomf van de eigen individualiteit, als spiegel van het diviene. Ook de ‘Identitätsphilosophie’ van Friedrich von Schelling zetten we een tel aan de kant, net als het titanische monisme van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, hoezeer we onszelf ook willen leren kennen, tot aan ‘het absolute weten’.

       In the vicinity of the bifurcation the capacity to transmit information is
       maximized.
       Manuel Delanda, Intensive Science and Virtual Philosophy, p. 87


Of we die kennis uiteindelijk toepassen in de praktijk van alledag, het zogeheten dagdagelijkse leven, of in de virtuele realiteit zoals we die op Internet koesteren (de facto een fictieve maatschappij) doet niet ter zake.

Arkadii looking flash. Een linnen pak, du monde. Foreign readers, pay attention! Als hij nu maar niet de schrijver gaat spelen. Zina, die mooie ogen. Sympathie werkt snel, sub-second. In-group. Meteen kussen, linkerwang, rechterwang. Haar zoon moet even oud zijn. Hier is het boek, zegt de schrijver, met die Nederlandse vertaling. This is not Dutch! It’s Dutch, houdt hij vol. (Zina proest het uit.) I’ll know Dutch when I see it. Deens, close enough. Verden er en sum af fakta en sitren en uforklarlig skælven. Een deftig restaurant, zegt hij. No Russians dancing, niet zoals waar jij and your friends gisteren. Let’s write a travel guide together, you and me. Voor in de luchthavens. Hij grist de rough guide uit onze handen, doorbladert het ding, werpt het (elegant gebaar, ingehouden) terzijde. Minachting within limits. Maar what about reflexivity? Voorgerecht, bier, vodka, hoofdgerecht, espresso: tussen kauwen en slikken blijven woorden in de keel steken.

Op ongeveer tweederde deel van het boek beseft de lezer dat het einde in zicht komt, en dat er op de laatste bladzijde een ontgoocheling op hem wacht.  Natuurlijk moet hij na de slotzin verdergaan en het stalken opgeven. Hij moet de schrijver alleen laten, in afwachting van eventueel een volgend boek, een mogelijke tweede kans. De schrijver weet dat ook. Maar wat het meest schrijnt is het gedeelde besef, dat het de schrijver en lezer uiteindelijk ontbrak aan lef om ‘The Zone’ daadwerkelijk, hand in hand, te betreden.


Vrijdag 25 augustus


Het dagboek zit er bijna op. Om half drie een transfer terug naar Pulkovo-1. Zwarte mercedes voor één op duizend papers. Maar nog niet. Nog een paar uur, vier sigaretten. We trekken in afwachting onze fake nikes aan. Blaren of geen blaren. Het parcours in verkorte versie: een snelle blik op het fort van Peter en Paul,  de kortste weg naar de Dvortsovy-brug. De wandelaar ziet af in Sint-Petersburg. Rusten op een bankje bij het standbeeld van Pushkin (Poesjkin?). Oude man knikt. Gebreid vestje. Wijst naar de vereeuwigde dichter. Vast zelf een groot schrijver, huilend om de waarheid (Ouwens alweer). Antwerpen? Maeterlinck! Charles De Coster. Vlamingen die in het Frans schreven. We weten waar hij naartoe wil. Steken hem onze laatste honderd roebels toe, voordat het te erg op bedelen begint. Tonen fier de nu lege portefeuille.   

Met een grote zucht van opluchting zetten we ons dan eindelijk aan het lezen.

        Bewilderment will be a lasting reminder of itself. Days of bewilderment, when
       suddenly everything is like nothing else in the world. I’m asking you, what
       do you pity? Ok, I agree. It was then that I imagined she had died. We were
       lying side by side. Behind the walls of the shed, the noon was blazing yellow;
       an imaginary sun pulsated under my eyelids, and her hot hand was resting on my thigh.
              “Why are you crying?” she asked.
              “Because you died,” I replied.
              “Well then, what was left after my death? And what am I for? You’ve
              answered none of my questions.”

             Yes, but I expected a shadow would flit by the window.
       Arkadii Dragomoshchenko, Chinese Sun, p. 114.



Literatuur

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, bezorgd door Peter de Bruijn, Edwin Lucas en Fabian R.W. Stolk. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2005.
Maurice Blanchot, L’espace littéraire. Paris: Éditions Gallimard, 1955.
Roland Barthes, Uit de taal van een verliefde. Vertaald door Dennis van den Broek. Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2002.
Mark Boog, De encyclopedie van de grote woorden. Amsterdam: Cossee, 2005.
Stefan Beyst, Het erotische oog en zijn naakt, een onderzoek naar de wederwaardigheden van de kijkdrift en de toondrift. URL: http://d-sites.net/nederlands/erotoog.htm
Stefan Beyst, De extasen van Eros. URL: http://d-sites.net/nederlands/eros00.htm.
J.M. Coetzee, The Master of Petersburg. London, UK: Vintage, 2004.
Manuel Delanda, Intensive Science and Virtual Philosophy. London, UK: Continuum, 2004.
Fyodor Dostoyevsky, The Idiot, Translated With an Introduction by David Magarshack. Middlesex, UK: Penguin Books, 1972.
Arkadii Dragomoshchenko, Chinese Sun, Translated by Evgeny Pavlov, Edited by Terry Myers, Introduction by Jacob Edmond. Brooklyn, NY: Ugly Duckling Presse, 2005.
Arkadii Dragomoshchenko, From Phosphor, Translated by Lyn Hejinian and Elena Balashova, 1993. URL: http://www3.iath.virginia.edu/pmc/text-only/issue.193/dragomos.193.
Arjen Duinker, De zon. Middelburg: Stichting Kunstuitleen Zeeland, 2003.
Hans Faverey, Verzamelde gedichten, editieverantwoording Marita Mathijsen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2000.
Jacques Lacan, Écrits, Translated by Alan Sheridan, with a foreword by Malcolm Bowie. London, UK: Routledge, 2004.
Jan Lauwereyns, ‘De dichter lijdt aan een dwangneurose’. In: Yves T’Sjoen (Ed.), Stem en tegenstem. Over poëzie en poëtica. Atlas, Amsterdam, 2004, p. 32-37.
Longinus, Het sublieme, vertaald door Michiel op de Coul. Historische Uitgeverij, Groningen, 2000.
Kees Ouwens, Ben jij het, ik. Amsterdam: Meulenhoff, 2005.
Gerard Reve, Verzamelde Gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij, 2001.
Rainer Maria Rilke, Duineser Elegien. Leipzig: Insel-Verlag, 1923. [Het werk is in 1999 online beschikbaar gesteld door Vogel & Fitzpatrick GbR Black Ink op http://www.blackink.de/literatur/texte/duineser_elegien/index.html.] 
Arthur Rimbaud, Ik is een ander, vertaald door Hans van Pinxteren. Amsterdam/Antwerpen: L.J. Veen, 2006.
Jerome Rothenberg, Pierre Joris (Eds.), Poems for the Millennium. Volume Two, From Postwar to Millennium. Berkeley, CA: University of California Press, 1998.
Erik Spinoy, L. Meulenhoff, Amsterdam, 2004.
Nachoem. M. Wijnberg, Liedjes. Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2006.