Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Chinese zon

Verschenen in: Een spier van goud

Vertaald door Evgeny Pavlov en Jan Lauwereyns


In vele gevallen laten ze zelfs in het water hun muziekinstrument niet los
(Gian Francesco Bracciolini)

De Error-screens die af en toe verschijnen zie ik als flashbacks naar de liefde ...
(David Hendler)



Het patroon van gras bepaalt de contouren van ‘toekomstige kampvuren’. Een ‘vraag’ doet zich voor (en verdwijnt op precies dezelfde wijze; schuld blijft onbewezen): weten we dat we weten, of dat ‘het patroon van trauma’s het patroon van de toekomst bepaalt’? Er waren ook andere vragen. ‘ ’, de echo van dwalende ogen keerde naar bron en mond, naar het uitvloeien van donkere spiralen, kronkelend in kanalen van wegglippende herkenning. Herinnering is directe rede verhoogd tot de macht van eindeloze ontwijking. In die tijd was mijn leven zorgeloos en losbandig. Wie we het ook vroegen, niemand kon ons de samenstelling van slijk geven. Wij waren de som van gespetter op de spiegel, stromend water, lemen slik en zware nachtelijke woorden (wij zijn jou) met bolvormige oppervlakten waarop kristalhelder zweet van een rij manen blonk als een augustuswind die door de tuinen oprukt. We telden dagen aan de hand van appels. We zagen ze echter ook bruin worden, verschrompelen, rotten en verdwijnen, de kiem van twijfel zaaiend over de getallen die, volgens de appels, zwijgzaam rondwentelden als zilveren ochtendboeken, liefdevol uit elkaar gepikt door hanensnavels – boeken die hete dampen van voorgevoel en onmogelijkheid vrijlieten. Molenstenen van het ondoorgrondelijke. Er waren veel gezichtspunten van waaruit je dit onderwerp kon bekijken. Elke kristal omvatte de volgende waarin de vorige opgenomen was. Een draaimolen flitste verscheidene voorwerpen in het gezicht van de waarnemer; het doel was hun benaming te raden. Vanuit één gezichtspunt was viezigheid een conventionele retorische figuur, noodzakelijk voor sommige berekeningen (die nog steeds grotendeels onduidelijk blijven) van de coëfficiënt van ijs dat in de onderste regionen van de hel brandt. Toentertijd waren we ervan overtuigd dat ijs witte steenkool was. Men kan niet aan precisie ontsnappen. Hitte stond aan de stadsmuur zoals een kind aan je drempel op een stormachtige nacht – kijk naar zijn tanden, zeggen sommigen. Kijk toch! Waaraan doen ze je denken? Wat precies? Bijtende sneeuw? Azijn? De spiegels van binnenwater zijn gevlochten met gekleurde zijde van hemelen, veren en brandende planten. Stemmen van anderen bleven ongehoord vanwege de lucht die door het labyrint van het gehoor stroomde. Stortvloed en geknars. Het geknars in juli van het eerste blad onder de voeten gaf vorm aan het plan van een reis; degenen die daarvan terugkeerden waren niet degenen die vertrokken waren. Ondanks de rook die van smeulende moerassen komt, markeer ik de grenzen van het verhaal opzettelijk met specifieke tijdstippen (de jaren zestig, tachtig, negentig; als men daarnaar verlangt, zou men ze verder kunnen uitbreiden, het conventionele heden opzij duwend door voortdurend schillen te verwijderen van de toekomst die ernaar streeft teniet te worden gedaan door een nóg exclusievere toekomst) om geen algemeengeldigheid toe te dichten aan de beschreven gebeurtenissen, wat anders het verhaal in schakeringen van dubieuze poëtische tijdeloosheid zou kleuren. Natuurlijk, algemeengeldigheid aarzelt niet om oordelen te vellen en bovendien overpeinzingen te bieden, bekoorlijk zoals ze onnodig zijn, maar men betaalt er zwaar voor. Wel, soms is het niet helemaal duidelijk wat men precies moet betalen. Voorgrond en achtergrond wisselen van plaats in de optica van ervaring. Betekenis beweegt langs ondenkbare banen van de gebeurtenis naar zijn onveranderlijke schaduw, bedoeling. In de eerste fase kunnen we kleur buiten beschouwing laten. Het zou ook niet moeilijk zijn om voorgevoelens en copulatieve koppelaars  uit te sluiten. Zijn betekent meedogenloze overgang. Het vertrekpunt is zo relatief als vuil onder je nagels, onsterfelijkheid, het kruipen van maden in een rottende hoop en het fosforescerende van de contouren van voorwerpen die in de tunnel van het bewustzijn leven.
       Het is verkiesbaar om over iets te schrijven dat nooit gebeurd is – kindertijd – of iets dat nooit zal gebeuren – de dood. Zo zijn autobiografische sporen (snijwonden). Sporen van afwezigheid die wegsmelten van de dingen. Zulke dingen wissen zichzelf uit in de woekering en echo’s van namen, waarvan sommige, om niet te zeggen de meeste, gedoemd zijn om nooit te worden uitgesproken.

Vroeger spreidde mijn bestaan zich uit in verscheidene sferen en het deed dat op een wijze die helemaal niet mysterieus was. Ik moet het zo gewild hebben. Ik wilde ook een veelvuldigheid van woorden. Vandaag kan ik niet zeggen waarom ik het nodig had. Domheid komt als een laattijdige troost. Om te begrijpen wat zij begrijpen, om je eigen stem, tijdens de korte ogenblikken van roetzuivere onmacht, ineen te doen smelten met de stem van de Ander, je eigen stilte met de stilte van duizenden Anderen – die vraag doet zich ook voor. Pathos is destructief. Wij zullen dit op het dak horen. Wanneer, bijvoorbeeld, stond Dikikh op van de grond en ging hij naar de zolder? Wie is hij? Heeft hij tandpijn? Houdt hij van kinderen? Geeft hij geld voor de oprichting van de Tempel? Over leidingen van het veelvoudige stappend, halfrotte linnen draden wegduwend van zijn gezicht, muffe lucht slikkend stapt hij naar het schemerige venster dat op het dak opent.
       Welk jaar is het? Welk seizoen? Wie regisseert de plechtigheden bij de seizoensverandering? Dikikh zette een doos onder het zoldervenster, ging erop staan en trok zichzelf omhoog. Grijze nachtlucht raakte zijn voorhoofd aan. Was zijn ziel, gecharmeerd door de incarnatie, werkelijk haar vorige bestaan vergeten? Het vlakke dak van een zes verdiepingen hoog gebouw strekte zich voor hem uit. De stilte leek dun als aluminiumfolie. Hoeveel is geld waard? Rechts van Dikikh zat een man van middelbare leeftijd in maatpak comfortabel in een zetel. Hij droeg een lichte bril zonder montuur met gekleurde glazen; zijn neus was bedekt met fijne rode adertjes. Achter zijn zetel stond een Chinees met een open boek in zijn handen. Een lichte wind roerde de bladen. Een hoed waarmee het Goede vereerd werd, lag naast zijn voeten op de dakpannen. De ster Rode Feniks stond boven de Vyritsa.   
       ‘Ik heb dit allemaal ergens gezien’, observeerde Dikikh, terwijl hij arrogant met zijn vinger naar de Chinees wees.
       ‘Is dat een vraag of een vaststelling?’ De man in de zetel glimlachte vriendelijk naar hem.
       ‘Ik begrijp niet hoe een vraag een vaststelling kan zijn.’
       ‘Wel, ik ben niet echt een expert op dat gebied.’
       Dikikh liet zich neerzakken op het dak. Het begin van vermoeidheid te boven komend, bemerkte hij: ‘Het dak is behoorlijk opgewarmd.’
       ‘Niemand,’ grijnsde de zittende man, ‘weet ik zeker, niemand heeft hier behoefte aan. Ik het minst van al. Ik ben een zakenman, zie je. Ik hou van dingen die jou niet interesseren. Ik hou ervan om, laat ons zeggen, een ding bij een ander ding op te tellen. Jij verkiest ongetwijfeld iets anders.’ Zijn stem kreeg een sombere, operatieve toon. ‘Al hou je er misschien van om, bijvoorbeeld, te stelen ... Niet dat ik iets tegen stelen heb! Maar mij lijkt dat beslist ook een exemplarisch geval – toegegeven, ietwat pathetisch – van iets dat verzamelen niet uitsluit – correct? – of, als je wil, volheid, die, zoals je begrijpt, er niet om geeft hoeveel weggenomen wordt bij iedere afzonderlijke gelegenheid.’
       ‘Ik begrijp het’, knikte Dikikh.
       ‘Nee, dat doe je niet,’ zei de man, ‘jij begrijpt absoluut niks.’
       ‘Jawel, ik begrijp het wel,’ herhaalde Dikikh, ‘tenminste, dat denk ik.’
       ‘Dat is het ’m net!’ onderbrak de ander. ‘Alles gebeurt alsof het slaperig giswerk is, een toestand, of, als je wil, een plaats die geen uitkomst of noodzakelijke voorwaarden kan beschrijven. En weet je, hier heb je wat het belangrijkst is: die slaperige interesse – misschien zelfs onverschilligheid – heeft zijn oorsprong in zichzelf, in juist dit slaperige giswerk waar niets ‘plotseling’ gebeurt, terwijl de rest maar een struikelblok is, dat giswerk van slaap naar herkenning verschuift, naar de werkelijkheid van het ogenblik, gelezen ... zeg maar, van achter naar voor, naar het punt waar giswerk opnieuw het eigen ‘plotseling’ begint te naderen, het onberekenbare deel van slaapwandelende nieuwsgierigheid. Geloof me, er is geen enkele bevestiging en even goed geen enkele ontkenning – dat is het merkwaardige.’
       Dikikh krabde zijn ene voet met de blote hiel van zijn andere.   
       Reflecties van amethist fonkelden op het gezicht van de zittende man, op het seringen jasje van de Chinees die achter de zetel stond, op de bladzijden van het boek van de Chinees, rondvliegend met het geknisper van gescheurde crêpe de Chine, op de tapijten waarmee het dak bedekt was. Dikikh stapte naar de rand en keek naar beneden.
       Een jacht zeilde stroomafwaarts op de Fontanka – hetzelfde dat hij had gezien toen hij naar zijn nieuwe plaats verhuisde, behalve dat nu de mast en zeilen uitgezet waren. Het jacht gleed voorbij, omhuld door geluidloze, koude vlammentongen. Mensen die op het dek brandden, wuifden minzaam en teder terwijl ze voorbij zeilden. 
       ‘Zie je, vuur.’ De man in de zetel zette zijn bril af en richtte zijn gezicht met zichtbaar plezier naar de reflecties die in de lucht zweefden.
       ‘Er is een zekere vaagheid in je argument. Ik zou het zo snel mogelijk willen elimineren’, zei Dikikh kalm.
       ‘Ivan Ivanovich’, de man stelde zichzelf voor en knipoogde naar Dikikh alsof hij een oude vriend was, een kameraad van de goede oude tijd.
       Enige ogenblikken lang leek de man Ivan I. diep in gedachten, zijn hoofd gebogen terwijl hij het antwoord overwoog dat hem blijkbaar te binnen was geschoten. Toen stond hij recht en leunde op de schouder van de Chinees. Terwijl hij het boek voor zich hield, uitte de Chinees op instructieve toon: ‘Horen is een trap van moed en het mag niet voor zwakkelingen openstaan. Verwonderd is hij, diep in de zee van contemplatie.’
       ‘Ja, in de zee’, echode Ivan I. ‘Precies, niet in een of andere oceaan of rivier. En de staat van de zee is als de staat van vrouwen die hun handen aan het touw snijden terwijl ze de schoonheid van vis beschouwen. Onthoud, hun verbazing was zo immens dat ze niet alleen het vermogen om te voelen verloren, maar ook om te denken.’

Eind september klopte Dikikh aan bij de deur van een badhuis in Fonarny Lane. Het was vroeg in de ochtend, rond zes uur. In de tuin achter een stapel buizen begon een eenzame linde zijn bladeren te verliezen. Daaronder stonden verroeste stoelen van metaaldraad. De deur bood nauwelijks weerstand, wat Dikikh nerveus maakte. Zijn voetstappen weerklonken tot diep in de gang. Nadat hij een gipsen Madonna-met-kind en een beer-en-douanier was voorbijgelopen, stopte Dikikh en riep: ‘Wie is daar?’ Er kwam geen antwoord. Dikikh ging verder langs de muur, probeerde op zijn tenen te lopen. Natuurlijk, zoals je misschien hebt geraden, was hij de hele geschiedenis met Ivan Ivanovich compleet vergeten. Zand knarste onder zijn zolen. Het moment van de herstelling is elders beschreven met pertinente details over de vervanging van vele eenheden van de noodzakelijke stukken hardware.
       Toen hoorde hij gezang dat van een radio leek te komen. Naarmate Dikikh vorderde, klonk het luider en meer geïnspireerd. Hij liep voorbij een zelfbedieningsrestaurant, een lege kleedkamer, en stapte een kamer met een zwembad binnen, gevuld met een groot aantal aquaria waarin exotische regenboogvissen rondspartelden. De kamer was zeer eenvoudig bemeubeld. Eigenlijk was er vrijwel geen meubilair, behalve enkele deuren versierd met koperen nagels en houtsnijwerk met gaatjes. Sommige deuren waren naar Ka’aba gericht. Welriekend grotta hout brandde in de haard. Men kon slechts duizelig worden van het gipsen sierzaagwerk van de muren ...  Bid, bid, o Maghrebijn, maar kijk niet in die richting! Het gezang kwam van Vitya de Tartaar die in het zwembad aan het duiken en plonsen was. De vaste klanten van deze hemelse plek kenden hem als Lombroso.

Vitya de Tartaar kirde en zong. Zijn bijnaam had hij te danken aan het voorval toen hij, tegen zijn eigen regels, een gesprek tussen twee klanten onderbrak, die de nominatie van een of andere nieuwe figuur bespraken voor de positie van semihoofd van de grootmacht. ‘Je hebt geen Lombroso nodig om te verstaan wat wat is’, had Vitya gezegd, waarna hij op de grond naast zijn voeten had gespuwd. Soms zwom hij naar de rand van het zwembad, schonk zichzelf een glas in uit de fles die daar stond, hief het glas in het licht en dronk de inhoud traag en loom, de kleur ervan bewonderend, zong dan opnieuw. Daarboven, onder de hoge gewelven, werd de geest van de echo gevat in de formule van vastberaden kobaltblauw; in het zwembad tuimelden kleine scholen goudvis rond in betegeld indigo. Lombroso was een expert op vele gebieden, goudvissen niet uitgezonderd.
       Dikikh keerde naar de kleedkamer terug, liep naar de andere kant van de gang, stapte het lege klaslokaal voor vrouwen binnen en opende de deur naar een bijkeuken. Een blauw gordijn over het venster liet het flauwe herfstlicht spaarzaam binnen. Dikikh kwam tot bij het schraagbed staan, knielde neer en nam Sonya’s hand. De hand trilde, maar haar gezicht bleef in de schaduw van de slaap. Dikikh deed zijn regenjas uit, legde die over haar deken en ging naast haar liggen. Maar zodra zijn ogen dichtvielen, zodra de paarse spiralen van de gebruikelijke obscure zonnen begonnen te wemelen, zich vergarend uit de kiemen van de materie van het zien, zag hij opnieuw, door de spleet, leek het wel, van een langzaam openende deur, een ogenschijnlijk vertrouwde kamer, een man stil op een bank liggend met zijn ogen open, omringd door silhouetten die over hem heen leken gebogen.
       Dit visioen was geen vaste bezoeker van Dikikhs dromen. Maar als het kwam, was Dikikhs hart meteen bevrijd van het gevoel van zinloos en onherstelbaar verlies, wat blijkbaar kon worden verklaard door de onvoorspelbaarheid van wat hij zag, zowel als door het gemak waarmee het visioen verdween. De volgende ochtend bij het scheren voor de spiegel maakte hij zichzelf telkens wijs dat die droom (het onderdeel ervan, een onderdeel van het onderdeel, enzovoort) een zuiver toevallige combinatie was van uiteenlopende eigenschappen, die ieder op zich iets moesten hebben betekend op een bepaald moment in zijn leven – of in het leven van anderen, want ze konden net zo goed aan iemand anders toebehoren.
       Het is mogelijk te veronderstellen, redeneerde hij, dat de kamer iemands droom zou zijn en de bank met de man erop die van iemand anders, terwijl de silhouetten die de bank omringden rechtmatig aan Dikikh zelf zouden toebehoren. Alles bij elkaar genomen echter veranderde het in hoornvliespoorten waarlangs een ongenadige wind van ongekende oorsprong blies.

De totaalsom is onveranderlijk verbluffend, ook al hebben politiek en religie, blijkbaar met veel succes, beweerd elkaars tegendeel te zijn.
       Ik herinner het me niet, ik moet ook gewild hebben om samen te zijn, dat wil zeggen, op dezelfde plaats met anderen, ondanks het feit dat de verbeelding nog steeds weigert om die plaats op gelijk welke wijze voor te stellen. Ooit in de metro, terwijl ik een kort gedicht van Wittgenstein over de bevroren zee en de droom van een garnaal aan het herlezen was, draaide ik mijn ogen weg van het blad en keek naar de rij lampen die achteruit vlogen tegen de muur van de tunnel.

We zijn nog niet bij de illustratie beland waarop iemand met een tweed pet, het hoofd achterover, het trillende touw van een vlieger vasthoudt. Het duistere koper van de reis is in de huid van zijn hand gegroeid. Het aggregaat van lampen leek op een oneindig, betoverend lint waarop een elektrisch paard onvermoeibaar rende, in een poging om een boom voorbij te steken die in het verwrongen perspectief vloog. Zijn tweelingen de reden waarom spiegels werden uitgevonden? Kan de wetenschap dat spiegels over ons regeren het fenomeen van tweelingen hebben doen geboren worden? Of kan het zijn dat tweelingen mirat hadratein zijn, de spiegel van een dubbele aanwezigheid, een goddelijke gereedheid, een imperatief – en van een mogelijkheid, een lichte tred en een ongeïnterpreteerde droom? Zo waren we als kind gewoon om, in het donker van zomernachten, brandende rietstengels snel rond ons te laten spinnen (praktisch op één voet dansend zoals de Hassidim), genietend van de illusie dat het patroon eindeloos veranderde in de lucht, van de duur van het uitzonderlijke, of misschien eenvoudig van wat opzettelijk toevallig is, verscheurd, verward, en niet naar de hand luistert die om een of andere duistere reden vurig naar volledigheid verlangt. Wie kan zeggen hoe diep op dat moment het verborgen verlangen was om dingen te combineren die zelfs in de geest van een kind aan de oppervlakte verstoken leken van compatibiliteit. Of was het de ‘slabakkerigheid’ van het gezichtsvermogen, het gegeven feit van lichamelijke onvolkomenheid, waarvan het predicaat gold om vooral niet de ervaring van de verdere limiet te missen. De kruinen van donkere Soemerische linden wierpen een vlak licht op de grens van binnen/boven. Elke boom, van op een afstand gezien, is een zorgeloze tekening in de marge van een notitieboek, zelfs als die bedoeld is om een centrale rol te spelen in het bewijzen van willekeurigheid: arbor en equus, bijgevolg, in de verheven sfeer van willekeurigheid. Genève op de vooravond van 1908. Doe me een plezier, ontbreek of onderbreek me niet, maar niemand onderbreekt me – jawel, jij doet het, je probeert altijd alles te bederven, een nodeloos verhaal beginnend over veranderende tijden, over de verkoop van rotte vaten, over karren op zware, met ijzer beslagen wielen, over een bloesemende kastanjeboom, over iets wat sinds tijden voor niemand ook maar een beetje interessant was; maar wat wil je nu zeggen over toen? – waar moeten we het over hebben als iedereen is stilgevallen, alsof het al vroeg in de ochtend is, licht zijn weefsel aan het wijzigen, terwijl nachtelijk spreken, uitstervend in je geheugen, bezig was het verlangen te zuiveren om nooit te stoppen, nooit te kraken, zelfs geen seconde, want de breuk (soms neemt het de vorm aan van ellipsen), enzovoort, iets anders – onnodig – het is klaarlichte dag al, ergens voorbij achtertuinen, langs de Okkervilrivier rinkelt een tram, terwijl de boom bij het venster (een elegante wending der dingen, een boom verschijnt – hij is al een tijdje bezig met verschijnen!) zijn schrikwekkende scherpte verliest, goed overeenstemmend met de beschrijving die keuze na keuze voortgaat in een slaapwandelend traceren van de eigen sporen, ontdekt in de loop van het traceren; om die reden, onder andere, ‘wat het belangrijkst was in onze relatie, kan ik nog steeds niet begrijpen; het feit dat we erover blijven praten (nee, ik probeer mijn mening niet op te dringen) alsof we eindeloos neerdalen in het soort leven waar geen plaats is voor woorden, in de onderwereld van taal die voortdurend van het verleden droomt, van iemands geheugen, om de enige echte richting van het verlangen te vinden, vermijden’ vergt een grotere betrokkenheid tot interpretatie, en het is daarom van weinig belang of het noodzakelijk is of niet, alhoewel het, juist dit en niets anders, de oorzaak kan worden van nog een ander ontwarren van relaties aan het einde van de nacht wanneer de kamer bomvol mensen is, als er niets overblijft om te drinken en de optrekkende nevel geen klaarheid aan je gedachten toevoegt en je niettemin terug blijft komen op de noodzaak van ergens anders over te spreken; ik weet niet precies waar we behoefte aan hebben op dit uur, kun je de vogels niet van hun poten geblazen zien worden, water fruit geven en de maan schaduwloos uitvallen op de zee die door de stad marcheert? Ik verafschuw je buitensporig verheven toon. Ik kan niet luisteren naar mensen die zich alleen zorgen maken over het onthouden van wat het is dat ze willen zeggen. Mensen van wie de eigenschappen arbor en equus als een schijnbaar onpretentieus voorbeeld omvatten, gelijkend op dat van een politieagent die alle mogelijke gegevens over lokale inwoners verzamelt – een voorbeeld waarin de kaart van ‘nergens’ of ‘niets’ is uitgespeeld als een bijkomende factor van begrip. Alle voorbeelden zijn gedoemd tot nergens en niets, net zoals ‘de Kretenzers’, ‘geplukte hanen’, et cetera; natuurlijk, de niet-significatie, het semantisch neutrale beetje woorden, binnengebracht in het lichaam van een voorbeeld, wijst heimelijk op een samenzwering, een blinde toe-eigening van betekenissen die twijfel zaait in de meting zelf van, en verzoening met, iets wat door middel van zo’n vergelijking onvoorwaardelijk zijn onbetwistbare plaats opeist. ‘Wel allemachtig, het is zo simpel als ...’ – de voorbeeldfiguur is de figuur van vergelijking door differentiatie. Maar zodra de eerste tekenen van vertraging zich voordoen, spruit de ‘boom’, niettegenstaande de weerhoudende kracht van de ‘wortels’, met plots gemak door de landschappen van de rede en de synopsis van Degallier of Riedlinger – het is Ik, een beambte van de dubbele naam, die zich niet duidelijk herinnert wanneer het gebeurde – om samen te groeien met het paard, waarvan hieronder het beeld is gegeven van iets kennelijk bijkomstigs, en dus typisch, helemaal niet categorisch – maar het punt is dat ze niet onderscheiden waren, niet verschilden, het paard van Odin (Igga) en Yggdrasil. Juist hier is waarschijnlijk de plek waar de flank van de Genève-reserve begint te zwichten. Men kan zich verdere verwarring voorstellen. Bijvoorbeeld, de Odessa van rond die tijd, het tiende of elfde station, veel lampen, kristallen glazen, karaffen, andere voorwerpen op de tafel onder de sterk vertakte walnotenboom. Tussore zit zachtjes te gloeien, ‘Ja, natuurlijk, jij bent gewoonweg geboren om dit te doen! Je kunt het toch aan? Doe niet flauw – we zullen je helpen als je strop raakt. Heren, ik heb een grappig idee! Maar eerst, wie van jullie is van plan deze herfst naar Europese hoofdsteden te trekken?’
       Dit echter verrast ons niet. Hier is een vergelijking van data: in 1906 spruit de ‘boom’, terwijl hij zich tegen 1908 volrijp vertakt als een voorbeeld in het retorische doolhof. Laat ons over iets anders praten. Laat ons over huizen praten en over vuurhaarden die aan de oppervlakte komen van de bodem van tot stilstand gebrachte oktoberdagen; laat ons over leegtes praten, over wassen tafels van dromen met buigzame materie waarin een afdruk verschijnt, afbladderend, vanuit de dieptes van nog een andere oppervlakte. Laat ons uiteindelijk zeggen – in datzelfde jaar verlaat hij Berlijn, alleen om zichzelf in Derbyshire, Engeland, weer te vinden, verloren in de geluidloze orgie van vliegers. Luchtpaarden van Ashvins zijn onontkoombaar, paarden van tweelingen, van hemelse nakomelingen, gemarkeerd door de stempel van slavernij. In zijn boek, De kroon van koningen, vergelijkt Buhari al-Jawhari het bestaan van zo iemand met de Diamant van Elf. Datzelfde boek zegt wijselijk niets over het magische tapijt dat door vliegers bewaakt wordt, vliegende slangen van wassen dromen, dat wil zeggen, door de droom zelf, vanaf het eerste begin naar zichzelf gekeerd, op zichzelf, elke beschrijving vermijdend. Aarzeling is het eerste wat men onder de knie moet krijgen.
       Na het een en het ander blijft er niets over dan ‘notitieboeken’: in beide gevallen classificeren academici ze volgens kleur – groen, bruin, zwart, blauw. Aan het eind, het notitieboek van water en rook. Het is geen geheim dat er geen enkel woord in te vinden is over de vrees die Hippolytus voor zijn moeder koesterde. Geen woord omdat het geen vrouwenhaat was, zoals men zou kunnen verwachten, maar ogenschijnlijk iets anders dat hem vervulde met een onoverkomelijke vrees – dat wil zeggen, hij die feitelijk het paard was dat zou worden opgeofferd, in stukken gescheurd, verdeeld in betekenissen zodat ze op nieuwe wijze herschikt konden worden in een onmogelijk geheel van een bepaalde betekenis – maar komt het ritueel van aswemedha slechts neer op moord? Laat ons niet verdergaan, laten we het laten vallen, oké, laat het zo zijn. Luister, jij – neem me niet kwalijk, jij, links van het venster, de persoon getekend door het veranderen van de straat in avondlijke heiligheid – wat zou jij eraan willen toevoegen? Maar toen, zeg je nog stiller, met je gefluister nog dichter bij horen (op die wijze klemt klimop zich slapeloos vast aan de herfst op een muur), toen namen ze het paard overal met zich mee in het koninkrijk, lieten het door elk domein lopen, en de koningin wachtte erop om al zijn kracht in één keer te ontvangen, begiftigd met de volheid van al haar land, al haar rijkdommen, bezittingen, naam, macht, en onveranderlijkheid. Pas later werd het tijd om zich te concentreren op de daad van uiteenrijting, versplintering, verstrooiing door een zeef van opoffering. Gespreid over bladzijden van notitieboeken, in de monotonie van opstijging. En het wordt zeker duidelijk waarvoor de jonge Hippolytus ’s nachts bang was, zoals het duidelijk is waarom hij naar het strand rende, naar het zand dat ineengestrengeld was met wingerds van opstijgende winden, naar de zee, naar de strijdwagen (de volgorde is belangrijk), getrokken door zijn favoriete paarden, maar, een buitenstaander zijnde, door hen niet erkend als hun gelijke, verloor hij de wezenlijkheid van hout, paard en voorbeeld. Inderdaad, Vladislav Valerianovich, dat heb je goed gezien: ‘Ortygia, de bakermat van Artemis, de zuster van Delos, gij zult mijn lieflijk lied beginnen ter ere van paarden met poten als een storm.’ Als je me een avondmaal geeft, vertel ik je wie mijn oog uitsloeg. Men zou tot in het oneindige het hoofd van een jong meisje kunnen beeldhouwen. Klei genoeg. Veel werd niet overdacht, te wijten aan roekeloosheid. Men zou de rest van zijn leven met monniken kunnen slijten, zich bekommerend om rozen in een tuin. Heißt kein Sternbild ‘Reiter’? Helden vestigden zich in het bewustzijn, bij momenten. Er is merkbare beweging in het struikgewas. Achilles.

       Maar hij hield niet van Rilke, Trakl verkiezend.

       ‘WIJ HEBBEN GECUT, WIJ CUTTEN, WIJ ZULLEN CUTTEN!’



Fragment uit: Arkadii Dragomoshchenko, Chinese Sun. Ugly Duckling Presse, Brooklyn, NY, 2005 (oorspronkelijk in het Russisch, 1997).