Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

'Ik heb de verdomde plicht mijn nek uit te steken.' Een gesprek met Monika van Paemel

Auteur: Ernst Bruinsma

 

‘Ik vind dat mijn gilde, als ik het zo mag zeggen, het zwaar laat afweten.’
Monika van Paemel


De Vlaamse schrijfster Monika van Paemel debuteerde in 1971 met Amazone met het blauwe voorhoofd. In 1985 verscheen De vermaledijde vaders, een boek dat meermaals bekroond werd en waarmee haar naam als befaamd romancier definitief werd gevestigd. Aad Nuis noemde haar na verschijnen van dit magnum opus een ‘dochter van Boon’. Sindsdien verschenen diverse romans, waarvan de laatste Celestien. De gebenedijde moeders (2004) is. Vorig jaar verscheen haar pamflet Te zot of te bot, dat voor een belangrijk deel over de zeden en gewoonten in Nederland gaat. Uiteraard gaat ons gesprek in haar rustig gelegen Mechelse huis – midden in de oude joodse wijk – niet alleen over de roman, over lezen en taal, maar ook geregeld over (literair-)politieke kwesties. Monika van Paemel was immers jarenlang voorzitter van PEN Vlaanderen en van de Balkanactie, een niet-gouvernementele organisatie voor ontwikkelingssamenwerking die werkt aan een betere toekomst voor de inwoners van de Balkan. Een schrijver mag zich volgens haar niet afzijdig houden van zijn geschiedenis en van de maatschappij waarin hij functioneert. Momenteel werkt Van Paemel aan een nieuwe roman, die volgend jaar moet verschijnen. Schrijvers zijn niet noodzakelijk hartstochtelijke lezers, maar Monika van Paemel leest – haar prachtige bibliotheek met bellettrie en boeken over geschiedenis en filosofie getuigt daarvan – graag en veel. ‘Ik merk dat bijvoorbeeld de dagboeken van Virginia Woolf heel bijzonder zijn als je zelf aan het schrijven bent.’

‘Essentieel is dat je onmiddellijk geboeid bent als je een boek openslaat. Ik lees boeken nooit van a naar z. Zelfs als het een min of meer lineair verhaal vertelt, dan doe ik het boek ergens open en moet het goed zijn op alle bladzijden. Het verhaal vul je als lezer sowieso wel in. Maar in de stijl kun je als romanschrijver niet smokkelen. Als de stijl niet goed is, kun je het vergeten. Neem nu het verzamelde werk van Charles-Joseph, prince de Ligne, prachtig bezorgd door mijn leermeester prof. Roland Mortier. Je mag dat opendoen op elke bladzijde. Soms is het gewoon geklets, dan is het weer society talk, maar altijd heeft hij net datgene gezien en opgeschreven wat je nooit meer vergeet. Onhandigheid is trouwens nog iets anders dan echt niet goed schrijven. Denkt iemand dan wel goed, vraag ik me weleens af. Ik heb mijn twijfels. De Ligne is net als Voltaire, Denis Diderot en Belle van Zuylen (Madame de Charrière) een achttiende-eeuwse figuur, in zekere zin werd in hun geschriften de basis gelegd voor de grote negentiende-eeuwse romans, waarin de wereld wordt verteld. Het is niet verwonderlijk dat de tijd van de verlichting, met het zelfstandige denken, het in vraag stellen van de maatschappelijke orde, en de vrijmoedigheid inzake seksualiteit en religie, in elk debat over het fundamentalisme wordt aangehaald.’

‘Niet al te lang na mijn debuut leerde ik Ivo Michiels kennen. Zijn bekende De Alfa-cyclus [waarvan het eerste deel verscheen in 1963] heeft in ons taalgebied toch een schok veroorzaakt, zoals eerder geschriften van Paul van Ostaijen, Louis Paul Boon en Hugo Claus dat hebben gedaan. Pas achteraf heb ik begrepen dat het, wat Michiels betreft, ook een soort van verwerken van persoonlijke ervaringen was. Want dat is de kwaliteit van een grote schrijver: dat men het persoonlijke, het drama, het trauma, de vreugde maar meestal de pijn of het verdriet in het leven op een literaire manier zodanig verwerkt dat daar kunst uit voortkomt. Dat is eigenlijk de essentie: iets over te brengen dat tegelijk intiem en universeel is en dat de lezer kan snappen. Van Michiels leerde ik dat de structuur van een boek het allerbelangrijkste is, dat de intimiteit van een auteur niet schuilt in het etaleren van die intimiteit, maar in het structureren ervan. Ook iemand als Hella Haasse, die ik zeer bewonder, heeft naar mijn overtuiging in haar werk allerlei persoonlijke ervaringen en autobiografische elementen verwerkt, ook in haar historische romans. Zij meent – en ik val haar daarin graag bij – dat schrijven, dat wat ze de intimiteit van de schriftuur noemt, het moment is dat je je letterlijk uitdrukt, dat je jezelf dan ook engageert. En dat is waar, maar tegelijkertijd begint het voor mij dan pas. Daar komt nog iets bij. De Max Havelaar is een boek dat ik in dit verband graag wil noemen. Dat is voor mij het boek waarin alles op zijn plek valt, dat staat absoluut voorop, want op elk gebied is het formidabel. Het is subliem, het beschrijft een maatschappij, het is sociaal bewogen, de visie is een beetje groter dan onze eigen kikkerpoel, dat boek toont liefde, toont macht. Het bevat alle elementen van een wereldboek en is geschreven in een prachtig Nederlands. Niet te verbeteren!
       Wat het vermaledijde woord ‘engagement’ betreft: iedere schrijver vult dat op zijn of haar wijze in. Voor mij is het woord, door de omstandigheden [schrijven en wonen in de Balkan], ook omgezet in acties, die je sociaal en politiek zou kunnen noemen. Maar laten we het eenvoudig houden: ik kon niet tégen oorlog en vóór de vrijheid van het woord schrijven, zonder daar consequenties aan te verbinden. Om het met een grimlachje te zeggen: ik moest de daad bij het woord voegen.
       Ik herkende dit type engagement begin jaren 1970 bijvoorbeeld heel sterk in het werk van Heinrich Böll, die zich eveneens geëngageerd heeft in International PEN. Böll was voor de generatie van Ivo Michiels en natuurlijk ook voor Paul de Wispelaere een soort geweten. Lees maar eens Gruppenbild mit Dame (1971), waarin Böll een panorama schetst van het Duitsland uit de eerste helft van twintigste eeuw. Hij vindt in die grootse roman een overtuigende structuur om een verhaal te brengen dat een levensgroot drama is, de Tweede Wereldoorlog; het is de rouw daarom, de verwerking daarvan.
       Door Böll ben ik lid geworden van PEN. Mijn attitude als schrijver was aanvankelijk nogal kinderlijk. Ik was nu eenmaal artiest en dan ging je niet bij de padvinderij, of zoiets. Maar toen ontmoette ik Böll op een diner – Aleksandr Solzjenitsyn was daar trouwens ook bij. Hij zag eruit als een soort profeet, en sprak als de Wolga, met lange halen. Ik zat naast Böll, maar wist helemaal niet wie die ‘oude man’ was. Ik probeerde mijn Duits uit en zei tegen hem dat ik Gruppenbild met Dame gelezen had en dat zo’n mooi boek vond. “Ja, das bin ich”, antwoordde hij toen. Ik werd een stukje kleiner en ben toen braaf lid van PEN geworden.’

‘De roman bevindt zich, daar ben ik van overtuigd, altijd in een sociale context. Poëzie daarentegen heeft niet noodzakelijk een sociale structuur nodig. Poëzie kan op zichzelf staan. Poëzie is tegelijkertijd intiem en universeel (ik sluit voor het gemak even poëzie uit die rechtstreeks verwijst naar drama’s). Proza is, op de een of andere wijze, verankerd in de dagelijkse werkelijkheid. Kijk maar eens naar wat Peter Handke vorig jaar overkwam, toen hem de Heinrich Heineprijs niet werd gegund omdat hij aanwezig was geweest bij de begrafenis van Slobodan Milošević. Of neem het geval van Louis-Ferdinand Céline. Je kunt als schrijver niet een beeld van de wereld creëren en vervolgens doen alsof je daar verder niets mee te maken hebt. Juist dit aspect heeft mij in de loop der jaren heel veel tijd en energie gekost en mij afgehouden van wat ik het liefste doe: in mijn kamer zitten en met de intimiteit van het schrijven bezig zijn. Aan de andere kant vind ik nog altijd dat dit er meer bij hoort dan optreden in of voor de commerciële sector. Je kunt als schrijver niet onder de verantwoordelijkheid uit. De letteren autonoom verklaren is zoiets als droogvrijen.
       Céline, bijvoorbeeld, is een heel groot schrijver, maar ook zo fout als de pest natuurlijk. Bagatelles pour un massacre is niets minder dan antisemitisme van het lelijkste soort. Je kunt niet zeggen dat zo’n werk niet verbonden is met de intieme overtuiging van iemand, met zijn morele en politieke standpunten. Sta me toe even een zijsprong te maken naar de zogenaamde literatuur die verweven is met de emancipatie van vrouwen. Als ik een schrijvende mijnheer was, zou mijn werk ook anders worden gelezen. Ook als ik theoretisch zou kunnen schrijven over vrouwelijke intimiteit en de vrouwelijke positie, maakt het feit dat ik een vrouw ben alles veel waarachtiger. Het feit dat Céline een antisemiet was, doet niets af aan het leesgenot dat ik beleef bij het lezen van bijvoorbeeld Voyage au bout de la nuit. Het is ook een groot antioorlogsboek. Maar ik had Céline zelf natuurlijk wel gewoon achter slot en grendel gezet.
       Ken je The Informed Heart (1960), van Bruno Bettelheim? Dat was een kinderpsycholoog en schrijver. Hij werd al enkele jaren voor de oorlog opgesloten in Dachau en Buchenwald. Hij was een joodse intellectueel en is op tijd gevlucht toen hij in 1939 werd vrijgekocht. “The informed heart” wil zeggen dat je geïnformeerd moet zijn. En ik denk dat een volwassen lezer, buiten het plezier, door dat lezen ook een geïnformeerd hart krijgt. Bettelheim zegt: “Je kunt het kwaad alleen maar weerstaan – het soort systemen als fascisme – door informatie te vergaren en te verwerken.” Daarom zegt hij niet “the informed brain”, maar “the informed heart”. Geen enkel groot boek ontsnapt mij omdat de schrijver toevallig een fascist is, een fundamentalist, een antifeminist. Al dit soort van dingen zijn eigenlijk niet eigen aan de literatuur zelf. Maatschappelijk bevind je je tegenover de schrijver die fout is echter in een dubbelzinnige positie.’

‘Ik ben me er in toenemende mate bewust van geworden dat je als auteur de verdomde plicht hebt je nek uit te steken. Je kunt niet dat ding schrijven en vervolgens doen alsof je er niks mee te maken hebt. Je kunt dat niet doen op esthetische gronden (“ik maak een werk van schoonheid”) en zeker niet op ethische gronden (“ik heb een boek geschreven en dat volstaat als daad”). Een van mijn grootste frustraties op dit moment is dat juist deze verantwoordelijkheid door schrijvers wordt aangetast: door de commercialisering, maar vooral door het feit dat ze zich daar niet tegen verzetten. Ik vind dat mijn gilde, als ik het zo mag zeggen, het zwaar laat afweten. Ian McEwan, J.M. Coetzee, Marlene van Niekerk of Margaret Atwood: bij deze schrijvers vallen de figuur en het werk samen. En dan is het werk oersterk. Maar als ik een schrijver in het werk “kiekeboe” zie spelen, maar hij of zij komt daarnaast melden dat de honger in Afrika zo erg is, neem me niet kwalijk dat ik dan eens glimlach. Het is pijnlijk voor andere schrijvers en ook voor de lezer. Je kunt de mensen niet voor het lapje houden, ook niet als je zelf graag in de publiciteit komt. Ook niet als je uitgever vindt dat het beter is dat je wat onzin verkoopt. Er ontbreekt iets aan het functioneren van onze schrijvers en onze literatuur. Nederland is bijvoorbeeld een maatschappij die momenteel volop een omwenteling meemaakt, maar daar wordt – uitzonderingen daargelaten − vooralsnog weinig aan gedaan in de literatuur. Als er toch eens een boek verschijnt dat al verhalend inzicht verschaft, zoals Het huis van de moskee van Kader Abdolah, dan wordt dat beschouwd als van buitenaf aan onze literatuur toegevoegd. Misschien dat de volgende generatie nog eens moe wordt van het performen en zich weer gaat bekommeren om het essentiële. En ik denk dat als dat gebeurt, het maatschappelijke bewustzijn van de schrijvers weer terugkomt. Men is aan het zoeken hoe men zijn waarden kan vastknopen aan de tijd, want men is met die waarden als het ware uit de tijd gevallen, buiten de tijd komen te staan. Dat is niet alleen een probleem van bepaalde moslims, maar zeker ook van een aantal schrijvers. Ik vermoed dat op dit moment de beeldende kunst en vooral de muziek vooroplopen en niet de literatuur. De alternatieve muziekscene, die houd ik wel in de gaten.’

‘Deze week las ik een uitspraak van een schrijver die me boeide. Hij zei: “De piramides mogen desnoods verloren gaan, maar het verhaal over de piramide zal blijven bestaan.” Dat is vrij optimistisch, maar het is inderdaad erg belangrijk dat er ergens een kraai zit die alles opschrijft. En die het verhaal bewaart en bijstelt en er weer een nieuw verhaal aan toevoegt. Dat die ketting niet wordt gebroken, maar dat er altijd weer schakels aan worden toegevoegd. De roman en, in ondergeschikte orde, het essay, zijn dan van het grootste belang. Aan het succes van de boeken van Geert Mak en van het laatste boek van Jan Siebelink kun je meten hoezeer de mensen op zoek zijn naar hun bronnen, hun sociale en culturele verleden en hun religieuze bedding, en hoe ze zich ook aan de hand daarvan een beeld van de toekomst proberen te maken. Jammer dat Nederlandse romanschrijvers daar niet meer op inspringen of die nood aanvoelen, maar misschien moeten we nog even geduld oefenen. Het is overigens geen exclusief probleem van onze gewesten. In sommige Arabische landen bijvoorbeeld wordt de ontwikkeling van de literatuur afgeremd en krijgt de moderne roman geen kans door indoctrinatie en censuur. En “de vrouwelijke stem” wordt maar sporadisch gehoord. Terwijl de inbreng van vrouwelijke auteurs voor die gemeenschap erg belangrijk zou kunnen zijn.
       Was volksverbondenheid in het verleden terecht verdacht, dan klinkt het woord nu, althans in onze gewesten, een tikje lachwekkend. Toch is het vanuit het eigene dat men naar het andere moet. En met de zekerheid van het eigene kan men het andere ook aan. Ik heb boeken geschreven die verankerd waren in moedertaal en moederland, maar ook boeken die van Jeruzalem tot de Noordpool en de Balkan gaan – want dat was of werd ook mijn wereld. Toch heb ik dit alles geschreven vanuit dezelfde achtergrond. Nu schrijf ik een boek dat helemaal teruggaat tot het dorp waaruit ik ben voortgekomen [Poesele] en dat misschien wel het meest universele boek wordt dat ik tot nu toe heb geschreven.’

‘Om de Balkan te leren kennen, ben ik de literatuur uit de Balkan gaan lezen. Je leert dan echt de intimiteit van een gebied kennen. Hoe men er echt is. Wat er verborgen onder de oppervlakte leeft. Hoe men er voelt en denkt en proeft. Lezen wordt dan een ervaring. Je leest ook niet alleen om dat bepaalde gebied te leren kennen. Je gaat wat je leest toetsen aan je eigen ervaring en afwegen tegen je eigen achtergrond. Als je bekend en onbekend samenvoegt ben je geen outsider meer: je hebt achter het gordijn gekeken, je kunt je positie bepalen, je begrijpt het een en ander. Je kunt je dan veiliger in vreemd gebied bewegen. Een boek lezen is alsof je onzichtbaar een huis binnengaat: je kunt onder de bedden kijken, de kasten inspecteren, de foto’s bekijken. Kortom, je kunt je een voorstelling maken van de bewoners van dat huis. Ik had vermoedelijk zonder de boeken van Ivo Andrić of Danilo Kiš nooit inzicht gekregen in de complexiteit van de Balkan, noch historisch, noch emotioneel. Het contact was ook nooit zo persoonlijk geworden. Ik ben ervan overtuigd dat twee dingen ons bepalen: ons historisch gevoel (waar kom ik vandaan) en ons tijdsgevoel (in welke tijd bevind ik mij nu). Die twee kunnen in verschillende streken heel verschillend zijn. De tijd in Midden-Afrika heeft een andere betekenis dan hier in Mechelen, het historisch gevoel is in het Midden-Oosten ook weer wat anders dan hier, dat verschilt zelfs in het Noorden en het Zuiden van het Nederlandstalige gebied. Hoe denk je dat ik Nederland heb leren kennen? Via die grieten uit Een zomerzotheid van Cissy van Marxveldt, en door De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker, maar ook door de boeken van Ferdinand Bordewijk en Marcellus Emants. Emants was lange tijd een van mijn lievelingsschrijvers. Maar om mijn betoog te illustreren: het boek dat een verpletterende indruk op me maakte was het dagboek van Anne Frank. Anne Frank is niet bepaald een gewoon Hollands meisje, levend in een ook niet bepaald banale tijd. Ik was veertien en behoorlijk ziek toen ik het dagboek in handen kreeg [in 1959], en ik leefde me er helemaal in in. Anne Frank wilde schrijfster worden maar stierf in een kamp. Bij alle medegevoel, woede en onmacht, nam ik me toen voor daar wat tegenover te stellen: ik zou schrijven wat haar werd ontnomen. Dat klink nu allicht overdreven, maar ik meende het wel als veertienjarige.’

‘Er is een belangrijk verschil tussen de Nederlandse en de Vlaamse literatuur. België liet bij de onafhankelijkheid in 1830 de gesproken talen van het gebied vrij, maar werd in feite Franstalig. De regering, het leger, de universiteiten, de hogere clerus, alles was Franstalig. Het Nederlands, “le flamand”, werd afgedaan als een ondergeschikte taal, een verzameling dialecten. Ofschoon de Vlamingen de meerderheid uitmaakten, moesten zij opnieuw een economisch overwicht zien te bereiken voordat ze, geografisch en politiek, met de taal hun recht konden doen gelden. De zogenaamde taalstrijd was ook een sociale strijd en een gevecht om erkenning. In dit emancipatieproces heeft juist de Vlaamse literatuur een belangrijke functie vervuld, met verhalen die vorm gaven aan de gemeenschap en karakters creëerden waar men zich in kon herkennen. De poëzie verwoordde onbewuste gevoelens en verdrongen verlangens, die hierdoor niet langer overdreven of verdacht leken. Als vanzelfsprekend werden de schrijvers woordvoerder van hun gemeenschap, wat hen vaak in conflict bracht met de staat en met de kerk, en hun – naast veel persoonlijke ellende – welhaast een heldenstatus verleende. Het is eveneens van betekenis dat de literatuur de overgang verwoordde van een rurale naar een industriële maatschappij, van conservatisme naar modernisme, wat ook voor de taal een evolutie inhield, die haar geschikter maakte voor de toekomst.
       Vlaanderen beleeft nu een hoogtepunt in zijn emancipatie. Je hebt voor het eerst in de moderne tijd een hele generatie schrijvers die zich zonder frustraties kan uitleven als schrijver. Voorheen was dat toch heel anders, door de materiële beperkingen en de opgelegde en innerlijke censuur, en ook wel door de taalbeperkingen. Niet voor niets heb ik voor de eerste Louis Paul Boonlezing aan de universiteit van Tilburg [in 1991] de titel gekozen: “Het verwerven of het heroveren van de taal”. In een bepaald opzicht maakt de jongere generatie zich nu ook los van het engagement [dat samenhing met de Vlaamse emancipatie en de taalstrijd en] dat in onze literatuur ook is voortgekomen uit de traditie van Zola. De jonge schrijvers kunnen dat nu anders invullen, en vrolijk spelevaren. Aangezien ze in een gemengd gebied leven, met ook Franse invloeden, is er nu een heel vruchtbare bodem voor de roman. Het is niet in de zuiverheid dat de literatuur gedijt.’

‘België is een stoofpot, een ratatouille, kipkap. Hoe leer je dat land kennen via de literatuur? Wil je de arbeiders, het proletariaat van de negentiende eeuw leren kennen, dan lees je Louis Paul Boon. Wil je de overgang van het landelijke naar het industriële tijdperk leren kennen, dan lees je Cyriel Buysse. Wil je de sensibiliteit en de sensualiteit leren kennen, dan lees je de poëzie van Hugo Claus of zijn meesterwerk De verwondering. Voor het romantische zou ik Hendrik Conscience kiezen, dat is een en al romantiek, of een schrijver als Felix Timmermans, al heeft die, net als Stijn Streuvels, ook een melancholische, Scandinavische kant. Voor Antwerpen, het stedelijke en het mercantiele, moet je uiteraard Willem Elsschot lezen. En ik denk ook aan Maurice Maeterlinck en Emile Verhaeren, die met de nek werden aangezien omdat ze in het Frans schreven. Of Suzanne Lilar, onderschatte schrijfster van onder meer Le malentendu du deuxième sexe en haar dochter, de schrijfster Françoise Mallet-Joris. Ik heb die eenkennigheid niet tegenover het Franstalige. Ik heb het Frans altijd als een verrijking gezien. En ik behoor natuurlijk ook al tot de generatie die zich daar niet gefrustreerd over hoeft te voelen. Dat is een luxe.’

‘Ik ben wel zeker een Vlaamse auteur, een Belgische als je wilt, maar ik beschouw mijzelf in de eerste plaats als een Nederlandstalige auteur. Dat Vlaamse is voor mij hetzelfde als stijl: het is de manier waarop je schrijft. Je geschiedenis en dat soort dingen. Wat dat betreft ben ik duidelijk iemand van de Lage Landen. Ik gebruik die term eigenlijk meer en meer. Deze modderige delta, uit deze poel kom ik voort en in deze taal schrijf ik. Onze taal heeft zijn specificiteit, maar die is voor mij niet gebonden aan provincialisme of aan een soort cultiveren van een of andere “kukeltaal”. Dialect is mooi, ik mag er graag mee spelen, en je kunt het ook als voedingsbodem gebruiken, maar de geschreven taal is het Nederlands. Ik citeer met instemming George Steiner: “My natural condition was polyglot, as is that of children in the Val d’Aosta, in the Basque country, in parts of Flanders, or among speakers of Guarani and Spanish in Paraguay.” Vermoedelijk dat ik daardoor ook als schrijver voortdurend uitdrukkingen en begrippen uit diverse talen vergelijk om me in mijn eigen taal nog preciezer te kunnen uitdrukken. Ik steel als de raven. Als ik een glinsterend nieuw woord ontdek, dan aarzel ik niet om het in mijn eigen taal om te zetten of te incorporeren. Als een waarachtige bewoner van de Lage Landen polder ik de taal in en win zo nieuw gebied.’