Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Pas - maar al rot (Tragedie)

Verschenen in: Vechtende spiegels
Auteur: Marijs Boulogne


(
De beeldzuster onderzoekt de placenta met een endoscoop. Dit beeld is op een scherm zichtbaar.
De vaderkoek is dun en uitgeput,
maar niet ziek of vreemd. De beeldzuster legt het uit.
We horen Moedere Hein al fluisteren.)

Beeldzuster: (vertelt aan het publiek) De koek was goed.

Moedere Hein: Ja Pas. Pas toch. Pasje toch. Pasje, lief Pasje. Mooie Pas. Handje.
(kust het handje) Handje open.
Mondje. (kust het mondje vele keren) Mondje open.
Geen honger hebben. Pasje, lief Pasje. Pasje, lief Pasje.

Beeldzuster: Die heeft zich helemaal gegeven.

Moedere Hein: Alles is open. Je moet geen honger hebben.
Ik weet al zoveel over jou. En ik weet wat ik met jou doen moet.


(Moedere Hein heeft haar baby Pas in haar armen in een fijn lakentje van kant en richt zich nu naar het publiek.)

GOEDENAVOND.

Ik heb een baby gemaakt.

Het is een meisje.
Ik heb haar Pas genoemd. Maar ze kan niet leven.
Ik heb haar in meer dan tien maanden gemaakt
en dat is veel te lang.
Nu ga ik haar nog wassen.

(Moedere Hein wast heel goed het gezichtje en dan het meconium van de rechterarm.)

Haar handjes.

(Moedere Hein wast vol liefde de handjes en speelt zacht met de baby.)

Al haar vingertjes zijn zo wit, dun en fragiel.
Het topje van de duim is een beetje rood gedroogd in de lucht.
Het linkerbeen is grijzer, helder maar grijzer tot aan de heup
en donkerblauw gemarmerd het ander.
De teentjes zijn ook gemarmerd, door blauwe bacteriën
die rondwandelen in de lege straten van de aders.

(Ze wast goed de voetjes.)

En dit bruine vlekje ook met de kleur van de aarde
hier onder het nageltje van het linker dikke teentje.
Al deze plekjes zijn nog allemaal na de dood gekomen.

(Ze wast de billetjes van Pas.)

Zo. Alles goed wassen. Maar het spleetje is al proper.
Alleen dit witte schuim kwam daaruit, zuiver vruchtwater
kwam uit de blaas, dus schoon was het daar nog.

De navelstreng is nu bordeaux.
Deze kleur groen hier heet de groene buikplek,
Want altijd hier zet groen zich neer in de huid
omdat de galblaas daarachter lekt, hij is als eerste vochtdoorlatend.

Maar het groen hier op deze arm had de kleur van erwtensoep.
Erwtensoep, zo heet het meconium
als het zich met het vruchtwater heeft vermengd.
Weten jullie eigenlijk wat meconium of kinderpek is?
Meconium is onze eerste kaka.
Het is de verzameling van giffen uit onze oorspronkelijke groei,
die de lever goed opgespaard heeft in de darmen,
omdat ze niet terug in het vruchtwater mochten komen.
Maar bij een zuurstoftekort tijdens een moeilijke geboorte
trekken de darmen samen en komt het meconium
vrij in het vruchtwater.
Op het tongetje ligt ook nog groen, maar de mondholte
en het gehemelte zijn roze en nog heel schoon.
Misschien heeft ze het meconium niet ingeademd?

De tong is blauw aan de bovenkant
maar altijd als men dood is, wordt dat zo.
Het blauw is een verlangen van de cellen naar zuurstof,
het blauw heeft een tekort aan rood.
Maar de onderkant van de tong is roze.
En de oogjes zijn roze.
Vandaag ging dit oogje al vanzelf open.

(Moedere Hein zet Pas recht en toont haar aan het
publiek.)

Op het voorhoofd begint een hele grote rode plek.
Die loopt tot over de fontanellen, tot helemaal achteraan.
En hier is het hoofdje ook gezwollen, precies daar
waar het bij de bevalling het eerst naar buiten kwam.
Daar heeft het zich afgetekend.
Dus waarschijnlijk heeft ze te lang knel gezeten.

Deze rode plek heet de ooievaarsbeet,
maar dat is een gewone tijdelijke roodheid bij pasgeborenen,
alsof de ooievaar nog zo geknipt heeft.
Het is alleen een hoge concentratie bloedvaten,
die zich nog zouden verspreiden.

De plekken op de rug zijn plekken van al de sappen
die nu via de huid wegstromen en hun kleur achterlaten.
Niet hier, omdat er druk was van het eigen gewicht, op haar vleugeltjes en billetjes: hier is de huid zilvergrijs geribbeld.
Maar hier ziet het roze van de longen en geel van de lever, beige van de milt, paars van de darmen.

Deze plek is al open, want iets heeft zich verstopt. Wat is het?

(Moedere Hein vist er iets groens uit en toont het.)


Een rups. Een pop van een rups. En ik wil deze vlinder liever niet zien, maar ik weet dat die prachtig zal zijn.

(Ze steekt de rups in haar zakje en legt de baby terug op haar rugje.)

Alleen op de borst zijn er die vreemd gekleurde donkerdere plekjes, hier, hier, hier en hier. (Haar vingertoppen passen op die plekjes.) Misschien zijn het blauwe plekken, kneuzingen, misschien per ongeluk van de moeder, van te veel te drukken met de vingertoppen tijdens de zelfverlossing.

Maar als dit echte kneuzingen waren,
dan betekent dit dat er bloedsomloop was, dat ze ademde
en dan heeft ze dus een heel klein beetje geleefd.
Maar vandaag wil ik het weten. Mijn baby is al oud.
Vandaag wil ik naar binnen gaan, en recht in de longen kijken, omdat ik wil weten of ze geademd heeft.

(De beeldzuster brengt de endoscopen en het scalpel.
Moedere Hein zal haar hand voor de ogen van Pas houden, en zal met een scalpel een snede maken van keel naar pubis, en traag door de voering zodat de darmen zich niet luidruchtig zullen verroeren. Dan plooit ze de binnenjas van huid open, met als voering het bruine vet. We zien buikzak en borstkas. Moedere Hein kijkt heel goed. Ze is heel geconcentreerd.)

Er is wel een klein beetje rood op de ribben, maar niet veel. Alles is zo rood.
Ik wil in de longen kijken, om te weten of ze geademd heeft.

(De beeldzuster bevestigt dit. Moedere Hein snijdt de driehoek van het borstbeen open.)

Want zelfs de zwezerik heeft helemaal geen vlekjes.
Die vlekjes zijn er wel bij zuurstoftekort of wiegendood.

En hier zijn de liefste longen, helemaal opgekruld.
En deze long ziet er het beste uit, daar gaan we eens in kijken,
om te zien of de longblaasjes zijn opengegaan.

(bronchoscopie)

Er zit meconium tot in de bronchiën, ik bedoel zelfs erwtensoep.
Maar dit zijn zeker de longblaasjes. En kijk: zo mooi gerangschikt als kleine balletjes, om nog groot te worden vol lucht.
Dus deze long heeft niet geademd maar hij kon het wel.

Ik wil het hart zien...

(cardioscopie)

Nog zo perfect roze, de spier, en lila, de kransslagadertjes,
ze blinken nog. En op het roze zijn er melkachtige plekken.

Ik twijfelde, maar dit is toch geen hartinfarct, dit noemt men gewoon melkachtige plekken, eilandjes van witte cellen.
Niemand weet waarom die er zijn, maar het is misschien wel een bescherming tegen ziektes.

(de buikzak open)

Ik wil weten of ze gezond was.

(onderzoek van de lever)

De lever, hier piepeloert hij, de allesweter en alleseter,
die ligt te rusten op al zijn werkers.

De lever ziet er zo gezond uit aan zijn oppervlakte, dit is bruin,
niet zwart gelukkig niet zwart van zwart bloed.
Wit is hoe hij sterft en ook die rode bloemen.

(het wit eruit halen)

En dit is mooie paté, dit groen hier heeft alleen de gal gelekt...
Maar deze lever kan nog alles aan,
een lever kan drie vierden van zichzelf verliezen,
zonder zijn vijfhonderd vitale functies te verliezen.

En dan gaan we nu de lever bevrijden van al zijn zorgen
al zijn poortaders, en zijn galwegen, al de buisjes naar de waaier van het buikvlies, alles moet eraf.

(Moedere Hein stopt de lever in een speciaal zakje.)

De lever is de enige die kan regenereren.

(endoscopie van de maag)

En de maag is blauw, al het blauw is een zuurstoftekort,
elk orgaan stierf zo, maar op zijn eigen tijd en zijn eigen manier.
En deze maag is zo gekrompen want die eet nu zichzelf.

De pancreas heeft dorst, al een honingkleurige korst.
Maar die is verder normaal van consistentie.

Vandaag zijn de darmen blauw en paars.
Ik zie geen etter, en alles is heel gelijkmatig verkleurd.
Ik kan geen ziektes tellen.

De nier heeft nooit vuil werk moeten doen, alleen vruchtwater maken en afvoeren naar die witte blaas.

Ik wil haar eitjes zien.

(Hier begint de roze reis, we gaan langs de achterkant van de baarmoeder, door de eierstokken op zoek tot we ze vinden.)

Kijk, daar, haar eigen eitjes, kijk, allemaal nog perfecte spiegeltjes van haarzelf.
Die heeft ze al gemaakt toen ze zelf nog zo klein was,
en zelfs al de tijdstippen om uit te komen
heeft de lever al aan de eitjes verteld.
Kijk, die zitten al klaar en die kunnen ook nog altijd uitkomen.

Daarom moeten we niet zo triestig zijn
want dit zijn dan nog engeltjes.


(Moedere Hein zal alles toemaken en de darmen erin laten kronkelen zonder draaiingen te maken.)

Zo. Alles was er, en alles was gezond.
En dan ga ik haar eigen kleedje toemaken.

(Pas krijgt al haar vormen terug, de beeldzuster zoekt de fontanel op van Pas.)

En we moeten op het allerlaatst dan nog op zoek gaan
naar iets wat geen kleur meer heeft.
Of er misschien bloedingen waren, door knel te zitten.

(Beeldzuster trepaneert met de scoop.)

Moedere Hein:
Dermis en cranium. De fontanel is open. Dit is dura mater.
Dit is een zachte schaal, de eischaal van haar nestje boven.
Heel zachtjes, zonder breken, trepaneren, en hier is pia mater,
dit is het vlies met de kanalen.

Er is geen zwarte koek, omdat dit vlies niet brak.
En dit zijn hemisferen, grijs en wit, en nog
bijna zonder groeven.
Er is geen goede weg, want we kunnen overal doorheen.
Haar zachtgekookt ei is week. Alles is geheim.


(Einde van de autopsie. De beeldzuster brengt het endoscopische materiaal terug weg.
Moedere Hein doet Pas een hele mooie jurk aan, zodat men haar open buikje daaronder vergeten mag.
Dan neemt ze Pas terug in de armen en streelt haar hoofdje en armpjes, probeert zich te troosten.)


Alles was gezond.  Maar ze heeft het zo koud.
Ze heeft het nog koud.

(Ze knuffelt de baby heel warm,voor het laatst, dan legt ze de baby terug neer en pakt in de la van de tafel: pure, heel fijn gekaarde wol en de restjes van strengen ruwe zijde.)

Ik ga haar een groen jasje aandoen,
om haar weer warm te maken.
Zo. Ik maak u warm…
Maar is het al warm genoeg?
Nee hier is een mutsje, en de sokjes moeten ook aan.
Het is koud buiten.

(Ze legt de vliezen van wol en Pasje begint te veranderen als in een ontbindingsproces.)

(Pasje is nu helemaal groen en al haar ledematen zijn gemarmerd.)

Zo. Is dat warm?

(Moedere Hein zal met de hand voelen in de lucht boven de buik van Pas.)

Ja, dat is warm.

(Ze voelt nog eens, maar dan heel zacht aan de buik, en streelt die.)

Daar waar het paars komt is het zachter.


Is het mooi? Ja, ik vind haar nog mooi.
Alles kleurt in de laatste mode, en dat is zo ongelofelijk dat wij niets anders kunnen dan daarnaar te kijken.

(Moedere Hein wordt een beetje blij.)

Pas, ik wil kunnen spelen.

(Moedere Hein haalt het zakje boven waar de lever in zit, schudt alles eruit en dat zijn nu vele rupsen. Eentje gaat als rups op bezoek komen.)

Frups: (kruipt over de buik en kijkt overal rond)
Waar is het het zachtste? Waar is het een beetje warm?
Daar wil ik weleens liggen… Speel met ons, Pas.

Moedere Hein: (toont de rups een paarse plek)
Hier is het het zachtste, hier is het lekker warm.

Frups: (kronkelt een beetje) Geelkop! Speel je mee?

Geelkoprups: (gespeeld door de beeldzuster die alles filmt)
Is er eten?

(Rups en Geelkop proeven en eten smakelijk van het paars en het groen. Mmm, lekker.)

(Pas kreunt en wordt een beetje wakker, schudt een beetje haar hoofdje, en voelt met haar handen aan haar buik, wat er mis is.)

(De rupsen proberen haar te kalmeren.)

Frups: Ik zit al vol.

Geelkop: Dan is het verstoppertje.

Frups: Verstoppertje, verstoppertje!
Gaan we samen in één cocon?

Geelkop: Oh ja…

Moedere Hein: En wie niet weg is, is gezien!

(De rupsen zijn samen weggekropen in één cocon. Pas gaat rechtop zitten en wil de rupsen zien. Ze begrijpt niet veel maar wil ze zien. Maar ze ziet niemand, dus gaat ze weer dood liggen.)

Moedere Hein: Sst Pas. Niet ademen en niet bewegen.
Altijd wachten met dansen totdat je de muziek hoort.

(Een grote transformatie met wol en haakwerk. Grote marmorisatie van bacteriën die zich via de venen verspreiden. Veel lichtgroen met blauwe en paarse netten die op Pas worden gelegd en haar doen opzwellen.)

(Veel rupsen kruipen nu over de buik en eten eten eten van het groen.)

Het kleinste rupsje: Is er melk?

Een vieze rups: Er waren toch geen resten van melk!

De koningin van de rupsen: Jawel. Wij hebben melk.
Volg mij voor melk en honing.

(En alle rupsen vragen melk melk melk en volgen de koningin, die nu al bij de mond kijkt of er resten zijn van melk.
Moedere Hein pakt gauw saprivieren en komt de koningin van de rupsen te hulp.)

De zwarte rups: Ik lust al geen melk meer.

Moedere Hein: Hier… Dit hier is de melk…

(Ze legt een witte streng in de mond van Pas. Maar ze heeft nog vele strengen in haar handen.)

Moedere Hein: En dit hier is de honing. Jullie mogen kiezen waar die loopt.

(Een witte stroom komt nu uit de mond van de baby en het kleinste rupsje mag eerst naar binnen.
De rupsen kiezen elk hun plek en Moedere Hein volgt hun aanwijzing. Dus komt een gele stroom uit de oren, de neus…)

Moedere Hein: Plekken van melk of honing, er is genoeg voor iedereen, en alles is prachtig en lekker en gratis…

Rupsen: Hier blijven wij wonen! Hier kunnen wij ons verstoppen voor altijd. (Een kleine rups verdwijnt in de mond.)
Wij zijn toch vrij. Wij kunnen altijd overal naar binnen
en naar buiten en spelen waar wij willen.

(De rupsen kruipen nu ook door het vel, daardoor komen er nieuwe gaten en begint er nu uit alle gaten sap te stromen, psssst  psssst psssst, lange sapstromen komen uit de baby.)

Moedere Hein: Alles wat nu weg wil, mag weg.
Maak pas zachte wortels, als je de weg in de bodem kent.

(Uit Pas zijn nu vele kleuren, vele sappen gekomen, in alle richtingen, en de kleuren vermengen zich met groen en bruin.)

(Dikke slak komt traag aangekropen, dwars door de plekken.)

Slakkenmond van Moedere Hein: Wat is de goede weg?
Wat is de beste weg en hoe vindt men die?
Ik wil altijd de goede weg nemen, omdat ik dan denk, dat ik ergens ga komen waar het goed is.
Maar wat is eigenlijk de goede weg? vraag ik.
Na tien centimeter, ga rechtsaf. Meer naar links. Keer om. Hou rechts aan. Meer naar rechts. Meer naar links?
En iedereen geeft antwoord, maar hoe weet iedereen zeker dat het de goede weg was, wanneer ze zelf nog nooit echt voorgoed zijn aangekomen op de plekken van de blijheid?
Ondertussen is iedereen ook verdwaald van in al die goede richtingen te lopen, zodat ze zelfs niet meer aan de plekken gedacht hebben.
Maar ergens daar is TOCH: een plek niet langer meer verstopt,
waar het altijd leuk is,
een plek zonder leedwezen of spijt,
waar een blijheid nooit een triestigheid moet worden
als straf omdat zij te lang geduurd heeft.

Slakken: (Ze spreken om de beurt.)
Plekken van de blijheid. Plekken van de blijheid.

(Vele slakken zijn op Pas haar voetjes gaan zitten.)

Niet bang zijn, Pas…
Niet bang zijn van je zachte wortels…
Niet bang zijn van ons.
Niet bang zijn van onze lippen op jou…
Je bent zo mooi dat het pijn doet…
Mag ik ook zo mooi zijn als jij…
Ik geef je duizend kusjes! En ik tweeduizend.
En ik leg voor jou duizend eitjes. En ik drieduizend.

Roze slakje: Ik houd je handje vast zodat het niet beweegt…

Minigeeltje: En ik de benen!

Alle geeltjes: Mogen wij ook zo mooi zijn als jij?

Moedere Hein: Ja, ja, dat mogen jullie…

(Lievelingsslak, die wel al zo mooi is als Pas – draden in een spiraal, en met een zilveren spoor – komt aan bij een lange saprivier, op weg naar het hoofd.)

Lievelingsslak: Meisje… Meisje… Meisje…
Ik wil je iets zeggen…
Waar is jouw oor?
Waar is de plek waar je oor altijd geweest is?

(Lievelingsslak legt haar slakspiraal plat op de goede plek waaronder Pas haar oor nu verstopt zit.)

Lievelingsslak: Jij hebt nu ons als moeders, en al onze liefde is voor jou.

(Alle slakken worden kleuriger en kleuriger, maar Pas is nu bruin en het vel is al gegeten. Rupsen, slakken, kevers zitten rondom het hart.)

Moedere Hein: Iedereen vindt het hart het lekkerst. Het hart was nog lang daar.
Het hart is het langste nog vers.

(De avond begint te vallen en Pas krijgt nog een hele mooie gouden kroon van Moedere Hein, die helemaal glanst in het maanlicht. Maar het is wel al donker geworden, als in het midden van de nacht.)


Moedere Hein: Niets is verloren, als wij niets verloren laten gaan.

(De vogels zijn echte vergulde scharen, gesmeed als ooievaars.
Ze komen aanvliegen en krijten door het zien van wat er op de tafel ligt.)

De vogels: feestmaal feestmaal feestmaal.

(De vogels scheuren een slakje in twee, een rups wordt leeg geknepen. Maar het is wel al donker geworden, als in het midden van de nacht.)

Vogel (een ooievaar): Ik lust alles wat ik nu kan zien.

Vogel (andere ooievaar): Maar ik zie niet veel! Ik proef iets, ja.

(De vogels verslinden rupsen, trekken slakken uiteen, pikken in het hart zodat er draden uit komen.)

Vogel: (roept meer vogels)
feestmaal feestmaal feestmaal feestmaal feestmaal

Vogel: (roept ook de vogels)
’t Is een donkere saus!

(De vogels eten al het vel en de zachte weefsels, tot ook de maan ondergaat. De nacht. Al de scharen worden mee met Pas ingepakt voor de laatste knuffel en meegenomen.)

Moedere Hein: Niet boos zijn…
alles wat niet weg wil, mag blijven,
alleen als het in iets anders kan veranderen.

(De ochtend breekt aan. Het skelet is nog op de tafel overgebleven op een bruine zachte vilten aarde.)

Moedere Hein: Dag Pas, goeiemorgen Pas, goeiemorgen.
Nu mag je weer bewegen.

Moedere Hein: Ja, Pas, nu mag je dansen.
Hoor, de vogels zingen voor ons
en vlinders komen uit.

Beeldzuster: Nu?

Moedere Hein: Omdat ik het zeg
vol verlangen.

(Het skelet danst in de ochtendzonnen van vele maanden, spreidt zich uit en lijkt te dansen, doordat pezen nog zo lang blijven leven. En de vlinders komen uit.)

EINDE